Een studie over hoe de macht van dit systeem kan gebroken worden, en welk maatschappij-model in de plaats kan komen – iets wat ik “De Triarchie” noem.

De Terugkeer van de
Koning
Manifest voor een
waarachtige samenleving
Brecht L. Arnaert
Syllabus uitgegeven naar aanleiding van
de gelijknamige studiedag gehouden
op zondag 27 augustus 2017
in het Vander Valk Hotel,
Antwerpen
2
De Terugkeer van de Koning
Manifest voor een waarachtige samenleving
Brecht L. Arnaert
Abstract
Ons politiek systeem is verrot. Een nieuw politiek systeem dringt zich op. Of tenminste: dat is toch
de illusie, want de essentie van het probleem is namelijk dat het “oude” politiek systeem helemaal
NIET oud is, maar integendeel slechts modern. De illusie van de Trias Politica is een product van de
Verlichting, een stroming die ik categoriek verwerp, omdat die gebaseerd is op een onrealistisch
mensbeeld. De mens is niet het rationele dier, zoals men ons heeft willen doen geloven, maar het
symbolische dier: wij kunnen niet leven zonder betekenis. Wil een polis functioneren, dan moet het
systeem dat die beheert in functie staan van het creëren van betekenis: zinvolle activiteit, voor de tijd
dat we hier zijn. Wat ik voorstel is een transcendent politiek systeem: de triarchie.
Inleiding
Er zijn in het verleden al vele pogingen geweest om de maatschappelijke structuren te veranderen.
De meest populaire weg is via de politiek: men richt een partij op, probeert macht te vergaren, en men
verkoopt aan iedereen de illusie dat men het systeem van binnenuit zal opbreken, eens de bevolking
die nieuwe politieke partij maar genoeg steunt om aan de macht te komen. Quod non. Daarom: hoewel
ik niet twijfel aan de intenties van de meeste beginnende politici, twijfel ik wel aan hun bewustzijn
over hoe het politieke systeem in wezen werkt. Daarom is een analyse van dat systeem, nog voor we
ook maar enig volwaardig alternatief aanbieden, van primordiaal belang.
Dit is het onderwerp van hoofdstuk I: hoe ziet de politieke structuur er officieel uit, en wat is de echte
machtsstructuur die erachter verborgen zit? Klopt het dat de burger vertegenwoordigd wordt in het
parlement? Klopt het dat er een scheiding der machten is? Ik zal u aantonen van niet: geen enkel van
de centrale stellingen die het geloof in dit politiek systeem recht houden, is nog langer vol te houden.
Ik ga mij bij deze analyse niet begeven op platgetreden paden. Ik ga ons bestaande systeem analyseren
vanuit het standpunt dat wij slaven zijn. Oorspronkelijk deed ik dat voor de gein. In dit document zult
u zien dat het helemaal geen geintje is, maar de authentieke realiteit.
Hoofdstuk II gaat vervolgens dieper in op het verschil tussen het VALSE politieke systeem dat ons
wordt voorgehouden, en het ECHTE politieke systeem dat ons regeert. Dit niet in praktische zin – die
analyse is al gemaakt, maar in filosofische zin: wat is het centrale idee dat ten grondslag ligt aan de
basis van ons moderne politieke systeem? Dit is het meest abstracte stuk, omdat het over principes
gaat. Het is niet eenvoudig, maar, hoewel de managers van de slavenplantage er alles aan doen om
ons progressief dommer te maken, heb ik het volste vertrouwen dat u de essentie van het
modernistische idee kan snappen: het idee dat alles maakbaar is, de waarheid incluis.
Hoofdstuk III spit de modernistische visie verder uit, en toont aan waarom diens veronderstellingen
weinig waarschijnlijk zijn. Een set van drie paradoxen wordt besproken, met één super-paradox die
deze drie lagere paradoxen doorbloedt. Dit noem ik de Heilige Drievuldigheid, en ja, u mag de link
maken naar de Thomistische filosofie. Dit echter met één groot verschil: mijn “theologie” is 100 %
symbolisch, en dus niet letterlijk te nemen, zoals bijvoorbeeld de Katholieken doen. De Vader, de
Zoon en de Heilige Geest zijn voor mij drie personificaties die corresponderen met die paradoxen.
God, dan, is de super-paradox: het bestaan van oneindigheid.
Hoofdstuk III is het langste hoofdstuk, omdat ik naast dit filosofische exposé ook een metafysische
speculatie moet poneren die ons in staat zal stellen het correcte politieke systeem af te leiden. Het is
5
immers zinloos om te gaan spreken over een waar-achtige samenleving als we niet weten wat de
waarheid is in zijn geheel. De speculatie waarover sprake is heel erg eenvoudig: God maakte een
fout. Alles was perfect en oneindig, en toen moest Hij (dit is een didactische personificatie) toch nog
gaan handelen. Het gevolg van dat goddelijke handelen is de schepping, die, tegelijk met al het leuks
dat het oplevert, in wezen ook een zeer specifiek lijden opleverde: de niet-eenheid van alles.
Hoofdstuk IV gaat gewapend met deze inzichten vervolgens op zoek naar het politieke systeem dat
bij deze inzichten hoort. Aangezien onze “condition humaine” geregeerd wordt door drie paradoxen
die ontstaan zijn doordat God een fout maakte, moeten de politieke, aardse instellingen zo
geconcipieerd worden dat het herstellen van deze fout centraal staat. Alles wat onzekerheid,
onwetendheid en onbepaaldheid reduceert is winst. Alles wat de chaos vergroot, de betekenisloosheid
of de willekeur, is verlies. Het doel van het systeem dat ik aan u wil voorstellen – de triarchie – is dan
ook niets meer dan het herstellen van wat kosmisch misliep.
Natuurlijk is dit onderwerp zeer breed. Het is onmogelijk om uit te stippelen hoe in zo’n systeem de
werking van het gerecht er precies moet uitzien, of het onderwijs, de gezondheidszorg en al de rest
van de maatschappelijke organen die we nodig hebben om als mens te functioneren. Dit manifest is
louter een eerste aanzet – het grote werk moet nog volgen. Ik heb mij bijgevolg dan ook beperkt tot
het toewijzen van elk van die vitale functies aan één van de drie machten in mijn systeem. Elk van de
drie machten – de materiële, de spirituele en de commerciële macht – controleert, niet de burger, maar
de twee andere machten.
Hoofdstuk V, dan, legt uit hoe de triarchie in werkelijkheid kan gerealiseerd worden. Wij leven
vandaag namelijk niet in een triarchie, maar in een fiscale slavenplantage, waar, op een Aldous
Huxley-achtige manier, de bevolking zichzelf onderdrukt. Redelijk debat is onmogelijk, omdat de
bevolking op zeer professionele manier is gebrainwasht. Eerst via de godsdienst, dan via de cultuur
en ten slotte via de politiek. De rede is met andere woorden getrianguleerd geraakt: de Westerse mens
leeft in een psychose van eigen makelij. Alle argumenten die de psychose zouden kunnen
ontkrachten, worden binnenin die psychose gerationaliseerd. De moderne mens is een zombie.
Hoofdstuk V zal dus bijzondere aandacht hebben voor de manier waarop die psychose kan verbroken
worden. Ik haal daarvoor mijn inspiratie bij wat voor mij de grootste held aller tijden is: Jezus, de
Christus van Nazareth. Hij snapte dat mensen die in een psychose zitten niet bevrijd kunnen worden
door er rationeel mee te debatteren. Dat je méé moet gaan in de psychose, en wat binnen hun
denksysteem fout zit, symbolisch onderuit halen. Hij ging tot het uiterste daarin, door het doen
samenvallen van hun reële jaarlijkse offer met zijn eigen ware offer, wat niet hetzelfde is. Het resultaat
was hun psychologische bevrijding.
6
De persoon die de symbolische strijd in de geest van Christus opneemt noem ik de Koning. Dat is
simpelweg iemand die de waarheid zegt, zelfs al vervolgt het systeem hem tot de dood. Over die
persoon mag u gerust denken in mythische termen; de mens heeft mythe en mystiek nodig. En mocht
de vraag rijzen wie dat dan wel zal zijn, dan kan het antwoord kort zijn: ik weet het niet. Maar wat ik
wel weet, is hoe je zo iemand kunnen laten opstaan. Die techniek heet manifestatie, en het bijdragen
aan de manifestatie van een Koning die het lijden op zich neemt ter bevrijding van allen is iets waar
zelfs de zwakste persoon kan aan meehelpen.
Het manifestatie-idee is namelijk exact het omgekeerde van de modernistische maakbaarheidsidee:
alles bestaat al, in een bepaalde realiteit, en het is zaak om datgene wat we in onze realiteit nodig
hebben naar hier te halen. Noem het voor mijn part kwantum-Christendom, want dat is het eigenlijk.
Ik geloof namelijk dat Jezus Christus dit geheim kende, en daardoor “wonderen” kon verrichten.
Maar, om het met Simon Stevin te zeggen: “Wonder en is gheen wonder”. Er is enkel een gebrek aan
kennis over de kracht van geloof. Er is namelijk maar één ding nodig om manifestatie te laten lukken:
een fundamenteel geloof in God.
Ook die definitie, van God, gaan we uitvoerig bespreken. En ook die van de duivel. En ook waarom
de duivel (dat is een didactische personificatie, opnieuw) terecht is in zijn woede: zijn leed wordt niet
erkend. De bespreking van wat dat leed is, de cruciale fout die de duivel maakt, en hoe wij als mens
het spilwezen in het universum zijn om God en de duivel met elkaar te verzoenen maakt de kern uit
van een nieuw metafysisch verhaal waarvan ik hoop dat het ons allemaal, over alle culturen heen, op
één lijn kan zetten. De hele schepping namelijk, kwam voort uit één en dezelfde fout. Ik zie daarom
niet in waarom wij elkaar zouden bestrijden.
Tot slot nog dit: van alles wat ik over God denk, en wat met Hem misgelopen is, kan ik geen jota
bewijzen. Maar het is wat mijn leven zin geeft, en aangezien mij dat via deze theorie aardig lukt, denk
ik dat ze ook waarde kan hebben voor anderen. Ik zie teveel mensen onnodig lijden, wat voor mij de
definitie van de hel is. Kunnen zij aan het verstand worden gebracht dat de duivel wel degelijk bestaat,
maar die niet is wat zij altijd gedacht hebben, dan ben ik er vrij zeker van dat ze zichzelf kunnen
bevrijden. En zo ja, dan wordt dit hier een aards paradijs.
Rest mij nog één opmerking te maken: ik weet niet hoe lang het zal duren voor de Koning zal komen.
Het is mogelijk dat hij al geboren is in deze realiteit, maar zich nog niet ter dege bewust is van zijn
rol. Het is ook mogelijk dat we nog generaties zullen lijden onder het juk van dit systeem. Daar heb
ik geen zicht op, noch een voorgevoel over. Het enige wat ik kan zeggen is dat ik denk dat we in de
tussentijd zijn komst moeten voorbereiden. Het is in het beleven van een rituele cultus waar met
7
kracht in geloofd wordt, dat de voorwaarden zich zullen scheppen waarin één persoon metafysisch
geroepen wordt om te doen wat moet gedaan worden: het lijden op zich nemen.
Welk lijden dat precies is vertel ik niet in de inleiding. Dat is voor Hoofdstuk V. Maar wat ik u wel
al kan zeggen is dat zijn lijden niet zinloos zal zijn. In tegendeel. Het zal tegelijk én letterlijk én
symbolisch zijn, en het is precies in de samenvoeging van die twee dat het exploitatie-systeem
gebroken zal worden. Het is wat Christus zelf ook deed – maar dan 2000 jaar eerder. Wij kunnen
enkel hopen dat iemand, geïnspireerd door Christus en misschien ook een beetje door dit manifest,
die ene actie uitvoert die nodig is om de bevolking tot bevrijding te laten komen. En ook wat die
specifieke actie is vertel ik u niet. Dat zal u gaandeweg vanzelf kunnen voorspellen.
Tot slot nog dit: ik heb gepoogd om mijn denksysteem niet-ideologisch te maken. Hoewel het centrale
punt is dat er een offer moet worden gebracht, verplicht ik niemand om dat offer op zich te nemen.
Mocht mijn systeem ook maar één enkele premisse bevatten van waaruit het verplichte offeren van
mensenlevens kan worden gelegitimeerd, dan is het duivels van aard. Dat is wat we nu hebben. Mijn
hele punt, zodoende, is niet dat er offers nodig zijn om de triarchie te realiseren. Dat is evident. Mijn
punt is dat die offers uit vrije wil moeten worden gebracht, omdat het enkel dat soort offers zijn die
haar symbolische macht verlenen.
Daarom: scan mijn tekst op ideologie. Ik heb mijn best gedaan om vanuit de universele realiteit van
radicale onzekerheid (1), mijn persoonlijke realiteit van totale onwetendheid (2) en de onbepaalde,
maar noodzakelijke relatie daartussen (3) een denksysteem te formuleren dat niet vertrekt vanuit een
rationeel idee, maar vanuit een transcendent geloof, en tegelijk niet gebaseerd is utopische aanspraken
van objectiviteit, of, godbetert, de ultieme waarheid. De ultieme waarheid is voor mij God, maar zélfs
als het over dat standpunt gaat, dan kan ik niemand verplichten het te aanvaarden. Het is niets anders
dan mijn pure, persoonlijke subjectivisme – vrijwillig te accepteren of niet.
De reden dat ik u vraag mijn tekst te scannen op ideologie is zodoende niet om pietepeuterige redenen,
maar omwille van de essentie van mijn geloof zelf: dat het ondanks mijn inspanningen
subjectivistisch te blijven het best mogelijk is dat er toch nog enig objectivisme in mijn denken zou
zijn binnen geslopen. Zodoende zeg ik u, in onvermijdelijk paradoxale bewoordingen:
Ik heb de Waarheid niet in pacht, want de Waarheid is God: één en oneindig.
Hij heeft mij in pacht, en dit tot de hypostase van zijn Zijn is ingelost.
Help mij, door constructieve kritiek, dat doel te bereiken.
Brecht Arnaert, Villaverde Bajo, 27 juli 2017
8
Ik schreef deze tekst niet.
Mijn Zelf schreef deze tekst.
“Ik” was louter het middel.
9
Hoofdstuk I: De Illusie van de Trias Politica
Abstract:
De gedachte waar wij via stelselmatige culturele indoctrinatie van overtuigd zijn geraakt is
dat de uitvoerende macht verkozen wordt door de wetgevende macht, en de rechterlijke macht
in alle onafhankelijkheid van de voorgaande twee het vigerend recht toepast. Dit is vals: er is
maar één macht, en dat is de monetaire, die de illusie van de Trias Politica in stand houdt.
Moreel én legaal zijn wij slaven, tot de Koning komt.
Inleiding
De moderne staat vindt zijn oorsprong in het jaar 1648, toen die na de zeer bloedige dertigjarige
oorlog – langs beide kanten gefinancierd door dezelfde diabolische elite – als vehikel werd
geïnstalleerd met geen ander doel dan het inlossen van de aangegane schuld. Voortaan werd zélfs de
koning, zij het voorlopig enkel theoretisch, onderdaan van dit vehikel. Zijn macht werd progressief
uitgehold, eerst door een aristocratische revolutie (de standenvertegenwoordiging), vervolgens door
een burgerlijke revolutie (de nationale vertegenwoordiging), en vervolgens door een proletarische
revolutie (de algemene vertegenwoordiging). Geen van deze revoluties, echter, zijn spontane
gebeurtenissen: élke revolutie in de geschiedenis van de mensheid is gepland.
Historisch bewijsmateriaal aanvoeren voor dit punt ga ik bij uitstek niet doen, en dit om een heel
specifieke methodologische reden: het bewijzen van een occulte samenzwering tegen de goddelijke
orde is principieel onmogelijk. En dit niet eens omwille van de stelling dat indien zo’n enorme
samenzwering waar is haar essentie er net in bestaat historisch bewijsmateriaal te vernietigen, achter
te houden, of zelfs te produceren, maar louter en alleen omwille van het feit dat geschiedenis nooit
iets kan bewijzen, niet ten goede, noch ten kwade. Geschiedenis is slechts een illustratie bij de theorie
die wij vandaag geldig achten. Het is een speculatie waarin wij verkiezen te geloven.
De ware opdracht is dus niet om geschiedkundig te argumenteren, maar om logisch te filosoferen:
enkel via het elimineren van contradictie kunnen we tot de Waarheid der Waarheden komen: God.
De gevangenis waarin wij ons bevinden, namelijk, is psychologisch, en de sleutel tot onze bevrijding
is niet het aanvoeren van genoeg bewijs van een samenzwering, maar het simpelweg het analyseren
van ons denken zelf. Geen enkele hoeveelheid historische data kan een stelling pro of tegen het
bestaan van samenzweringen valideren, maar één onverklaarbare contradictie kan u al leiden naar de
waarheid. En ik zeg u nu al: zo’n contradicties zijn er in overvloed.
10
Wat te denken, bijvoorbeeld, van het idee dat de staat nodig is omdat mensen te immoreel zijn om
vrij te zijn? Als dat waar is namelijk, waarom geven we mensen dan het recht om hun politici te
verkiezen? Als ze werkelijk zo immoreel zijn, dan kan het niet anders dan dat zij politici zullen
verkiezen naar hun evenbeeld, en dan is ook de staat corrupt. Het hele idee dus, dat de staat een
noodzakelijke institutie is, valt met dat ene argument al plat op zijn gezicht. Het is een contradictie,
en wanneer we die in ons denken aantreffen, moeten we onze premissen checken. In feite komt heel
de filosofie voor mij op niets anders neer: check uw uitgangspunten.
Laat ons nu, na deze inleidende bemerkingen, komen tot de essentie van dit hoofdstuk: het feit dat de
zogenaamde democratisering van de “archaïsche” politieke instellingen van het Ancien Regime in
wezen exact het omgekeerde is: een verabsolutering van de macht in handen van een onzichtbare
elite. Die elite houdt de illusie van de Trias Politica in stand, omdat op die manier de aandacht wordt
afgeleid van de essentie: wij zijn zowel moreel als legaal slaven. Dat laatste zal u wellicht choqueren,
maar naar het einde van dit hoofdstuk toe hoop ik u te kunnen aantonen dat de analogie tussen een
staat en een slavenplantage niet zomaar lukraak is: dat is één en hetzelfde instituut.
De Trias Politica
De doctrine van de Trias Politica stelt dat er drie machten zijn die elkaar onderling controleren, en zo
de vrijheid van de burger waarborgen: de wetgevende macht, de uitvoerende macht en de rechterlijke
macht. De eerste wordt verkozen door de bevolking en verkiest op zijn beurt de tweede, de tweede
voert de wetten uit die gestemd worden door de eerste, en de derde geeft de toestemming aan de
tweede om de burger te straffen indien die burger de wetten gestemd door de eerste niet heeft gevolgd.
Schematisch kunnen we dit als volgt voorstellen:
11
Van dat mooie schema klopt evenwel niets. Een eerste zaak die duidelijk moet zijn is dat de burger
helemaal niet kiest wie hem zal vertegenwoordigen. Tenminste in België namelijk, maar ook in vele
andere landen, is het zo dat politici niet individueel verkozen worden, maar door middel van lijsten
die niet opgesteld worden door de burger, maar door de elite van de partij waar de kandidaat lid van
is. Hoe hoger men op de lijst staat, hoe meer men kan genieten van de zogenaamde “lijststemmen”,
die een mogelijks gebrek aan persoonlijke stemmen aanvullen. Dus niet de burger, maar de elites
binnen de partijen bepalen zélf wie in het parlement verkozen raakt:
Dat maakt dat alvast de wetgevende macht niet in handen van de burger is. Meer nog: zelfs nadat een
volksvertegenwoordiger verkozen is, kan die geen soevereine actie ondernemen. De elite die binnen
de partijen macht heeft over de vorming van de lijsten, namelijk, heeft zichzelf namelijk ook de meest
lucratieve posities toebedeeld, en die zijn doorgaans te vinden in de uitvoerende macht. Het zijn dus
grosso modo de uitvoerende macht die bepaalt wat de wetgevende macht goed- of af moet keuren.
De stok achter de deur is eenvoudig: willen de leden van de wetgevende macht opnieuw verkozen
worden, dan kunnen ze maar beter netjes in het rijtje lopen.
Maar het is nog niet gedaan. Ook de rechterlijke macht is geenszins soeverein, in die zin dat die
onafhankelijk van de andere machten zou kunnen beslissen. Rechters, in ons moderne politieke
systeem, zijn namelijk niet meer dan ambtenaren. We noemen ze “magistraten”, maar dat is niet meer
dan een duur woord voor “toepasser van de wet”. Hun taak is niet zo zeer om recht te spreken op
basis van natuurlijke en historisch aanvaarde principes en zo een traditie levendig te houden met
nieuwe uitwerkingen, maar louter om de bestaande wet toe te passen, wat die wet ook zegt, en hoe
onrechtvaardig die ook moge zijn.
Rechters, in moderne politieke systemen althans, zijn dus niet meer dan veredelde ambtenaren die
nagaan of de burger de wet heeft nageleefd of niet. Aangezien ze niet buiten het kader kunnen treden
12
dat hen door de wetgevende macht is opgelegd, is het gerecht de facto een verlengstuk van de
uitvoerende macht, en dit om de eerder aangeduide reden: wat de wetgevende macht tot “wet” verheft,
is niet meer dan wat de uitvoerende macht als wet wil zien. Zélfs al geloof ik dat de meeste rechters
persoonlijk integer zijn, dan nog is het zo dat zij in wezen géén macht hebben: er is ietwat ruimte
voor interpretatie soms … tot de uitvoerende macht die ruimte van hen afneemt.
Zodoende mag duidelijk wezen dat van de “driedeling” der machten in wezen geen spaander heel
blijft. Er is maar één macht, en dat is de uitvoerende. Die bepaalt wie verkozen wordt, en die bepaalt,
via de wetgevende macht, wat strafbaar is, en wat niet. De beslissingsmarge die aan rechters wordt
gelaten is daarbij miniem. En de burger? Zolang hij gelooft dat hij ook maar iets in de pap te brokken
heeft, zet deze illusie zich door. In ruil voor belastingen – of zo lijkt het toch – krijgt hij van de
uitvoerende macht allerlei “rechten”. En in ruil voor het behouden van die rechten – of zo lijkt het
toch – moet hij voor de “juiste” partij kiezen bij de verkiezingen.
Ik zeg u dat er helemaal geen juiste keuze is. Aangezien zowel de wetgevende als de rechterlijke
macht met handen en voeten aan de uitvoerende gebonden zijn, en die uitvoerende macht bovendien
autocratisch is, heeft zij de burger zelfs helemaal niet nodig om aan de macht te blijven. Of het nu
deze of gene partij is die aan de macht komt, over één thema zijn alle partijen het kamerbreed eens:
belastingen moeten betaald worden, willen burgers van hun rechten kunnen blijven genieten. Dat is
de essentie van het verhaal, en de reden waarom er nog verkiezingen zijn: het gaat het systeem niet
om de goedkeuring van haar kandidaten door de burger, maar de legitimering van het systeem zelf.
Zodoende moeten we nog dieper door denken. Het zou te eenvoudig zijn om te lamenteren dat de
uitvoerende macht de twee andere machten controleert. We moeten ons de vraag stellen wie of wat
het dan precies is dat de uitvoerende macht dan eigenlijk aanstuurt, als we nu al zeker zijn dat het niet
de wil van het volk is? Een historische analyse maak ik daarvan zoals uitgelegd dus niet. Wat ik ga
13
doen is u met een analogie presenteren, die de ware machtsstructuur zal blootleggen die achter deze
goedkope illusie van rook en spiegels schuil gaat: die tussen de staat en een slavenplantage. Tot mijn
uiterste verbazing, evenwel, bleek dit helemaal geen analogie te zijn, maar de werkelijkheid zelve.
De fiscale slavenplantage
Zoals eerder gezegd: verkiezingen hebben als doel de burger de indruk te geven dat hij voor een stukje
eigenaar is van de staat, en in functie van het beheer van die staat zijn vertegenwoordigers moet
kiezen, die dan, in zijn naam, de regering zullen controleren. De vergelijking wordt gemaakt met een
bedrijf, alwaar de aandeelhouders een Raad van Bestuur verkiezen, die dan een management aanstelt:
het management is de uitvoerende macht, de raad van bestuur de wetgevende, en de aandeelhouders
finaal de rechterlijke: zijn ze niet akkoord, dan verkopen ze hun aandelen.
De realiteit is echter exact omgekeerd: de burger is niet voor een stukje eigenaar van de staat; de staat
is volledig eigenaar van hem. Dat mag u zo letterlijk nemen als ik het zopas heb opgeschreven, want
de legale theorie die de eigenaars van de staat/slavenplantage erop na houden is wel degelijk van die
aard dat wij met zijn allen als “stukgoed” worden bekeken, die via het geboortekanaal van onze
moeder aan land is gezet, is ingeklaard, en vervolgens verpand in ruil voor een lening bij de bank.
Aangezien het stukgoed na een aantal jaar echter als “verloren op zee” wordt beschouwd, valt de
lening nooit meer terug te betalen, en zijn we met zijn allen dus perpetuele schuldslaven.
Die theorie heet “De wet van de Zee” en zal ik hieronder zo getrouw mogelijk proberen weer te geven.
Voelt u ongeloof tijdens mijn beschrijving, doe dan alsof ik slechts een grapje maak. We zijn zo hard
bij de neus genomen, namelijk, dat het vernemen van de waarheid over onze waarlijke legale status
voor de meesten te veel is om te aanvaarden. Ze verwerpen het als een wilde speculatie. Toch denk
ik dat u tegen het einde van dit hoofdstuk zeer goed zult snappen waarom er in wezen nooit naar de
burger geluisterd wordt: slaven hebben geen rechten. De burger is niet meer dan de borger van een
schuld die hij nooit aanging, maar wel zélf het onderpand van is.
Verder wil ik u nog voor een tweede eigenaardigheid waarschuwen bij het bespreken van de analogie
die zal volgen: in het psychopathische denken dat de eigenaars van dit monetair systeem hanteren
wordt er géén onderscheid gemaakt tussen het letterlijke en het symbolische. Zo wordt het
vruchtwater van de moeder gelijk gesteld met de zee, de moeder zelf met een schip, en de vader met
de kapitein van dat schip. In het begin valt het nog mee, maar naarmate de analogie vordert zult u
afkeer voelen tegen het denken over mensen als zijnde niet meer dan handelsobjecten. Bij deze
herhaal ik dat dit niet mijn visie is, maar die van de psychopaten die ons besturen.
Aankomst en inklaring
14
Laten we beginnen bij het begin: het moment waarop een nieuwe fiscale slaaf geboren wordt. In het
psychopathische denken is het zo dat wij met zijn allen uit de zee komen: vroeger kwamen we als
amfibieën aan land, nu worden we aan land gezet vanuit het vruchtwater van onze moeder. Via haar
geboortekanaal zet ze het nieuwe stukgoed aan land, en eens dat gebeurd is moet de kapitein van het
schip – de vader – een document tekenen dat verklaart dat het stukgoed zonder schade aangekomen
is: het certificaat van (levende) geboorte. Van het stukgoed wordt in Europa via de hielprik een staal
genomen, en in andere landen wordt zelfs soms een inktafdruk van zijn voetje genomen.
Het aan land zetten van een stukgoed, echter, is nog niet voldoende om het toe te laten tot het land
waar het is aangekomen. Het goed bevindt zich nog in de douanezone, wat in feite een juridisch
niemandsland is tussen de zee waaruit het komt, en het vrij doorreisbare land dat achter de
douanecontrole ligt. Wil de kapitein van het schip dus dat zijn goed vrij kan doorreizen, dan moet hij
het door die douane laten inklaren. Dat wil zeggen dat hij moet vragen aan de douane om het te
bekleden met de vereiste juridische status die nodig is om aan het rechtsverkeer van het land in
kwestie te kunnen deelnemen.
Die inklaring moet gebeuren binnen de drie dagen na het aankomen van het stukgoed in de
douanezone en voltrekt zich wanneer uw vader gaat u aangeven bij de fiscale slavenplantage. Met het
certificaat van levende geboorte/correcte aankomst van het stukgoed gaat hij naar de lokale afdeling
van de staat, en ondertekent daar een nieuw document: uw geboorteregistratie. Vanaf nu verkrijgt het
stukgoed een juridische status, en mag het vanuit het niemandsland tussen de zee en het binnenland
(de douanezone) ook effectief de plantage binnen. Meestal wordt dit door de kapitein als een
vreugdevol evenement ervaren.
Op dit moment hebben we dus twee documenten: een geboortecertificaat en een geboorteregistratie.
Dat eerste document markeert de aankomst van een nieuw product, een beetje zoals een fles
afwasmiddel van de productieband zou lopen, en vervolgens een etiket krijgt. Het heeft op zich weinig
juridische waarde. Het tweede document echter, is veel meer dan de administratieve formaliteit waar
men het voor wil laten doorgaan. Het is namelijk geen loutere registratie, maar de oprichting van een
bedrijf. Dat bedrijf heet men juridisch “een natuurlijk persoon”, en is volgens zijn specifieke
vennootschapsvorm eigenlijk een trust.
Trustwetgeving
Nu moet ik even uitleggen wat een trust is. Die vennootschapsvorm ontstond al eeuwen geleden, in
het feodaal systeem van de middeleeuwen. Wanneer de lokale heer van een kasteel namelijk voor
langere op reis ging (bijvoorbeeld op kruistocht) bestond er altijd het gevaar dat, bij afwezigheid van
15
iemand die op het kasteel en de goederen lette, een lokale potentaat zijn eigendom zou innemen.
Daarom stelde hij gedurende zijn afwezigheid een vertrouweling aan, en dit bij middel van een brief.
In die brief stond dat persoon X, laten we hem Lancelot noemen, vertrouwd werd met het beheer van
de goederen van de heer, en dit tot diens terugkomst.
In die brief stonden de verantwoordelijkheden duidelijk vermeld: Lancelot is niet de eigenaar van het
kasteel, maar slechts de beheerder. En bij de terugkomst van de lokale heer, die we voor het gemak
Arthur kunnen noemen, moet Lancelot de brief teruggeven. Het origineel van de brief zelf, bleef
gedurende de hele afwezigheid bij Lancelot. Dat is logisch: mocht iemand zijn autoriteit betwisten,
dan kan hij steeds die brief voorleggen, en zeggen dat hij wel degelijk gemachtigd is om beslissingen
te nemen die de waarde van het geheel van bezittingen in stand houden, of zelfs ten goede komen.
Tot Arthur komt en vraagt om zijn brief, is Lancelot heer en meester.
Het cruciale punt dat begrepen moet worden – en wat de meeste mensen niet eens geloven, omdat het
zo psychopathisch is – is dat het document dat uw vader ondertekent wanneer hij u aangeeft bij de
slavenplantage, exact zo’n brief is. Juristen onder de lezers mogen dit nagaan, en mij erop wijzen dat
voor het oprichten van zo’n trust niet aan de noodzakelijke vormvereisten voldaan is. Maar herinner
u wat ik zei over psychopathisch denken: het slaat letterlijke en symbolische vereisten constant door
elkaar. Of het geboortecertificaat vormelijk een trust is doet er dus niet eens toe: zij denken van wel.
Psychologisch gesproken zien de eigenaars van het monetair systeem dit als de oprichting van een
trust. Waar of niet? Maakt niet uit: zij hebben de macht.
In het geval van Arthur gaf hij zijn kasteel in trust aan Lancelot, in het geval van uw vader geeft hij
zijn kind in trust aan de staat. Net zoals Lancelot beheerder wordt van het kasteel, tenminste tot
wanneer Arthur terugkomt en zijn trustbrief terugvraagt, net op die manier werd ook de staat
beheerder van u, tenminste tot uw vader terug zou komen en zijn trustbrief terug zou vragen. Het
grote verschil is echter dat uw vader niet eens wist dat hij een trust had opgericht met u als het in trust
gegeven patrimonium. Hij dacht simpelweg aan een administratieve verplichting te voldoen.
Zodoende blijft de staat beheerder van het kind, niet de vader.
Er is nog een wezenlijk verschil tussen Arthur en Lancelot en uw vader en uzelf. In het voorbeeld
met Arthur en Lancelot was die eerste tegelijk de oprichter en de begunstigde, maar dat is niet
noodzakelijk zo. Arthur kon evengoed slechts oprichter zijn, en als begunstigde niet zichzelf in die
brief omschrijven, maar bijvoorbeeld zijn zoon, die niet mee met hem ging naar het slagveld, maar in
het kasteel bleef, onder de tutelage van Lancelot. Zo is het ook met de trust die uw vader oprichtte:
niet hij, maar uzelf bent er de begunstigde van. Je kunt met andere woorden op elk moment de
trustbrief bij de staat gaan opeisen, en dan houdt de trust op te bestaan.
16
Legaal komt het opeisen van je trustbrief dus eigenlijk neer op je juridische geboorte: tot die dag ben
je een stukgoed in de portfolio van de staat (die vele trusts beheert), maar eens je je trustbrief opeist
ben je dat niet langer. Enige voorwaarde, evenwel, is dat u dat wéét, en precies dat is wat voor ons is
verborgen gehouden: iedere collega-slaaf die u tegenkomt is legaal gesproken begunstigde van
zichzelf, maar die weet dat niet. Tussen zijn legale identiteit als trust en zijn ware identiteit als mens,
namelijk, is een juridisch tussenschot geschoven. Ziedaar een illustratie van het psychopathische
denken: “We liegen niet. We vertellen alleen niet de volle waarheid.”
Hoe komt het dan dat de meeste mensen niet doorhebben dat ze in wezen slaaf zijn? Wel, dat
antwoord is vrij eenvoudig te geven. De naam van uw trust, immers, is exact dezelfde als de naam
die uw ouders u gaven bij uw geboorte. Mijn naam is Brecht, van het huis-Arnaert. Maar de trust die
in mijn naam is opgericht heeft exact dezelfde naam, zij het met één vormelijk verschil – die naam
wordt in hoofdletters geschreven. Dat komt uit de Romeinse tijd: persoonsnamen werden met kleine
letter geschreven, bedrijven met grote. Ga het maar eens na: op alle officiële documenten die u van
de overheid krijgt – van uw identiteitskaart tot uw belastingbrief – zult u uw naam zien staan in
hoofdletters. Dat komt omdat die brief niet gericht is aan u, maar aan uw trust.
Belastingen
Waar passen belastingen in dit plaatje? Laten we er terug even de afspraak tussen Lancelot en Arthur
bij nemen. Stel u voor, namelijk, dat na een storm een stuk van het dak van het kasteel is weggewaaid,
en dat hersteld moet worden om ergere schade te voorkomen. Zou het fout zijn voor onze Lancelot
om een brief te sturen aan Arthur, die aan het vechten is in het Heilige Land, met de vraag om een
bijdrage te doen in het patrimonium van zijn trust? Me dunkt van niet. Arthur, die niet anders dan blij
kan zijn met het feit dat Lancelot zijn zaken zo goed opvolgt, zal heel waarschijnlijk een
boodschapper sturen met extra geld om dat zaakje in orde te brengen.
Er is zodoende niets mis met een beheerder die per brief extra geld vraagt om het patrimonium in
stand te houden. Het hele punt is echter dat Arthur de baas van die verhouding is: het is hij die beslist
of er een voorlopig rieten dak moet worden gelegd tot zijn terugkomst, of meteen al een stenen dak,
dat misschien een stuk duurder kan uitvallen. Hij is de begunstigde van zijn eigen
vertrouwensvennootschap, niet Lancelot. Die is louter de beheerder, en hij moet uitvoeren wat Arthur
hem opdraagt. Stel je maar eens voor dat Lancelot de branie heeft om in zijn brief aan Arthur te zetten
dat die laatste verplicht is om bij te dragen. Dat zou pas absurd zijn: Lancelot heeft niets te zeggen.
17
En toch is dat wat onze beheerder, de staat, met ons doet: ons de indruk geven dat wij verplicht zijn.
Omdat wij niet weten dat wij de begunstigde zijn van een trust die in onze naam is opgericht – zelfs
onze vader wist dat niet – betalen wij braaf onze belastingen, omdat we ervan uitgaan dat dat nu
eenmaal onze burgerlijke plicht is. Hoe mooi dat plichtsbesef echter ook is, feit is en blijft dat er geen
enkele, maar dan ook geen enkele rechtsgrond voor is. De trust die uw vader oprichtte stipuleert
duidelijk dat de staat slechts de beheerder is. En beheerders kunnen slechts om een bijdrage in het
patrimonium vragen, ze kunnen die niet eisen.
Leningen
Wat zij wel kunnen doen is een lening aangaan. Dat zou erop neerkomen dat Lancelot, in het geval
van het kapotte dak, géén brief naar Arthur stuurt, maar gewoon zelf beslist om naar de bank te
stappen en, op basis van het patrimonium als onderpand, een lening te nemen zodat het dak kan
hersteld worden. Arthur hoeft van niets te weten: het is zelfs mogelijk dat met de reguliere inkomsten
van het landgoed de lening al terugbetaald is voor hij er ook maar erg in heeft. Hij zou bij manier van
spreken thuis kunnen komen en niet eens merken dat het dak vernieuwd is. Alles is terugbetaald, en
het patrimonium staat op orde.
Het is in deze “flou artistique” dat een psychopathische redenering zich nestelt wat betreft de trusts
die in onze naam zijn opgericht door onze vader. Onze beheerder – de staat – gaat namelijk ook een
lening aan, maar niet voor het herstellen van iets wat kapot is. Onze beheerder – de staat – gaat zo’n
18
lening vooral aan om met dat geld de fiscale slaaf “onderwijs” te kunnen geven – lees: indoctrineren,
en competenties aan te leren waarmee ie later een goeie katoenplukker wordt in de fiscale
slavenplantage. De beheerder leent dus geld om met dat geld te investeren in de “opwaardering” van
de rentabiliteit van het patrimonium – zijnde uzelf.
Vanaf het moment dat uw vader zijn handtekening onder de trust gezet heeft die uw “natuurlijke
persoon” in het leven roept, kan de beheerder met het patrimonium van deze natuurlijke persoon naar
de bank gaan, en er een lening tegen nemen. Dat gebeurt volgens hetzelfde maritiem recht waarmee
deze hele zaak van in den beginne bekeken is: men neemt een lening met de cargo van het
moederschip als onderpand. De bank levert het geld aan de beheerder, en die zorgt ervoor dat het
stukgoed – dat nu nog minderjarig is – wordt “opgevoed” tot een volwaardige fiscale slaaf, waarna
de lening zal kunnen worden terugbetaald.
Nu is er een bepaling in dit soort recht – in het Engels: “Admiralty Law” – die stelt dat een goed als
verloren mag beschouwd worden als het na zeven jaar niet opgedaagd is. Opdagen, in juridische
termen, dat zou betekenen dat de begunstigde naar de gemeente stapt, en daar zijn trust-brief opvraagt,
waarmee de opdracht van de staat als beheerder van de trust beëindigd wordt. Op het moment dat de
trust-brief overhandigd wordt, namelijk, vallen begunstigde en vereffenaar samen, en worden alle
passiva die men nog verschuldigd was aan de beheerder afgestreept tegen alle activa die sowieso al
in het patrimonium aanwezig waren.
Externe leningen vallen daar echter niet onder. En wat meer is: de begunstigde komt zijn trust niet
eens opdoeken. In psychopathische termen is de cargo (die tevens de begunstigde is) dus “verloren
op zee”. De Cestui Que Vie-wetgeving uit 1666 bepaalt dat de begunstigde na zeven jaar zelfs legaal
als dood mag worden beschouwd; dit is één van de hoofdredenen waarom niemand in Angelsaksische
landen zomaar voor de rechter mag komen, zonder advocaat. Iedereen die ouder is dan zeven jaar is
legaal is namelijk dood, en wie dood is kan zichzelf niet vertegenwoordigen. In continentale landen
19
is het nog zo ver niet gekomen, maar met de groei van de Angelsaksische invloed in het internationale
recht mogen we ons hier ook aan zo’n toestanden verwachten.
Er is nog een aspect waarmee de psychopathische eigenaars van het monetair systeem hun claim op
het onderpand legitimeren: gedurende tenminste zeven jaar is geen enkele schijf van het geleende
kapitaal terug betaald. De belastingplicht, namelijk, geldt in de meeste landen pas vanaf de
meerderjarigheid. Zodoende heeft de beheerder geen enkele inkomst om die lening mee terug te
betalen, en zal dat ook zo zijn tot de fiscale slaaf zelf ook katoen kan gaan plukken. In sommige
landen is dat vrij vroeg – al vanaf de leeftijd van twaalf jaar. In Westerse landen worden fiscale slaven
hoger opgeleid, en daar kan het nog eens elf jaar langer duren, tot de leeftijd van achttien.
De bank wil echter zeker zijn van de terugbetaling van de aangegane lening, en laat het uitstaande
saldo – dat zonder belastinginkomsten al die tijd alleen maar groeit – het liefst onderbrengen in een
nieuwe trust, dat vanaf dan als schuldvehikel gaat dienen. Die trust wordt dit keer niet opgericht door
uw vader met uzelf als én patrimonium én begunstigde, maar door de staat, met uw schuld als
patrimonium en de bank als begunstigde. Dit gebeurt rond de leeftijd van twaalf jaar en is algemeen
bekend als het moment waarop het kind zijn identiteitskaart gaat afhalen. Die kaart, die we beter
slavenkaart zouden noemen, is onze individuele schuldrekening.
20
Eeuwigdurende leningen
Nu is er echter iets raars aan de hand met die individuele schuldrekening. De staat, namelijk, die
beheert niet enkel jouw individuele trust, maar duizenden en duizenden gelijkaardige trusts van
andere fiscale slaven. Voor elk van die trusts zou zij een aparte lening kunnen afsluiten, maar dat zou
een administratieve operatie van jewelste zijn. Bovendien is de staat er vrij zeker van dat het
onderpand nergens heen gaat – het is zich niet eens bewust van dat het onderpand is, noch is er enige
andere beheerder waar zo’n fiscale slaaf zich zou toe kunnen keren. Zodoende werden vanaf 1666
alle leningen van de staat niet langer afgesloten per individuele trust, maar met alle individuele trusts
als collectief onderpand.
Ik vind dit niet uit. De belastingplantage die fiscale slaven in de Lage Landen “België” noemen,
bijvoorbeeld, die is in 1831 opgericht met een lening van 100 miljoen Belgische Franken. Het
onderpand van die lening was niet een paar individuele trusts met daarin hun patrimonium, maar alle
toekomstige fiscale inkomsten van de staat België, wat concreet betekent: alle bijdragen die
begunstigden betalen aan de beheerder, ter versterking van het eigen patrimonium. De staat België
kon aan de slag met dit verse geld, om wegen te bouwen, en scholen, en ook een leger waarmee de
plantage zich kon beschermen tegen aanvallen van andere plantages. Maar het onderpand van de
terugbetaling waren alle trusts die ooit bij de beheerder zouden worden opgericht.
Daarmee komt nog een extra aspect om de hoek kijken: tijd. De lening die aan het management van
de Belgische plantage verschaft werd, namelijk, was er één voor de eeuwigheid, en dit voor de
collectiviteit van alle trusts die ooit bij de beheerders werden, worden en zouden worden opgericht.
Ook alle toekomstige incorporaties van trusts vielen dus onder die afspraak rond onderpand. Het
kapitaal zou nooit terugbetaald moeten worden, enkel de intrest erop, die een vaste 5 % bedroeg. En
zo geschiedde: van 1831 tot 2013 – 182 jaar lang – betaalde de Belgische staat 5% op 100 miljoen
BEF, wat neerkomt op 910 miljoen BEF aan intresten. In 2013 dan, werden die “eeuwigdurende”
leningen dan toch omgezet in tijdelijke leningen van 50 jaar.
Moet het gezegd dat dit duivels slim bekeken is? Als ik u iets geef, namelijk, dan heet mijn actie
juridisch “een gift”. Een gift is iets dat niet moet terugkomen, bijvoorbeeld een som geld van 100
EUR. Ik kan er ook geen intrest op vragen, want gegeven is gegeven. Het is niet dat u mijn gift na
verloop van tijd moet teruggeven. Als ik u echter diezelfde som geld geef, en ik zeg dat ik die som
na een jaar terug wil, dan heet mijn actie juridisch “een lening”. Een lening is iets dat moet
terugkomen na een periode. Je kan er intrest op vragen, en dit als betaling voor het opgeven van uw
liquiditeit. Na een jaar moet dan niet enkel het kapitaal terug in mijn zakken zitten, maar ook intrest.
21
Maar wat is de actie waarbij een bepaalde som geld voor eeuwig wordt gegeven, maar waar toch
intrest op wordt gevraagd? Een gift kan die actie niet zijn, want die komt zonder verplichtingen, en
dus al zeker geen intrestverplichtingen. Een lening kan het zeker ook al niet zijn, want die heeft een
termijn en datgene wat eeuwig duurt heeft dat dus niet. Zodoende: wat dat eeuwigdurend contract
ook moge geweest zijn, een lening was het in ieder geval niet. Maar toch betaalt men daar “intrest”
op? En dit zonder dat het kapitaal ooit afgelost kan worden? Dat zijn geen intresten. Dat is je reinste
bedrog. Dit geldt trouwens niet enkel voor België, maar voor gelijk welk van de ruim 200 fiscale
slavenplantages die deze aardbol als een huidkanker bevlekken.
Management
Is het ondertussen duidelijk dat de laatste macht waar wij enige soevereiniteit vermoedden – met
name de “uitvoerende” macht – zelf ook helemaal niet soeverein is? Wat geldt voor ons, geldt
namelijk niet minder voor ministers en staatshoofden: ook zij zijn fiscale slaven. Ook zij hebben een
slavenkaart en een individuele rekening, en ook zij worden door het bancair systeem – dat zich als
een maritieme onderneming profileert – als legaal dood beschouwd. Het enige verschil met ons is dat
zij door de eigenaars van de slavenplantage speciale bevoegdheden werden toebedeeld: zij mogen,
via de rookschermen van de wetgevende en de rechterlijke macht, bepalen wie meer of minder katoen
moet plukken. Dàt is de bron van hun macht – niet verkiezingen.
Waaruit bestaat zodoende de hoofdtaak van de uitvoerende macht? Het antwoord is vrij eenvoudig:
de fiscale slaven zo optimaal mogelijk uitbuiten. Dat vergt immers heel wat kunde. Je moet altijd
zorgen dat de motivatie om fiscaal katoen af te dragen intrinsiek blijft. Men moet het zelf willen. Er
zijn echter nogal wat maatschappelijke instituties – religie, de natie, het gezin – die een optimale
exploitatie verhinderen. Vooral wijsheid, gebaseerd op eeuwenlange ervaring, is een doorn in het oog
en bijzonder moeilijk uit te roeien. Het idee, bijvoorbeeld, dat het niet verstandig is te liegen omdat
22
je dan slaaf wordt van je leugens, zorgt voor fiscale slaven met een soevereine mind-set. Telkens je
dan van hen een hogere bijdrage vraagt, is er tegenstand.
Om die reden is het zaak voor de CEO’s van de plantage om de slaven te verleiden, en wel door het
uitdelen van “rechten”. Recht op indoctrinatie bijvoorbeeld, of recht op propaganda, of recht op
onderhoud van de programmering, bij de fiscale slaven zelf beter gekend als gesubsidieerd
“onderwijs”, “media” en “cultuur”. Maar daar stopt het niet. Er is ook recht op ziekhouderij,
verslaving en consumptietijd, bij de fiscale slaven zelf beter gekend als gezondheidszorg,
terugbetaling van geneesmiddelen en vakantiegeld. En alsof dat nog niet genoeg is, zijn er ook nog
eens schuinsprekerij en monopolieprijzen bij, bij de fiscale slaven zelf beter bekend als gratis
rechtspraak en wetgeving ter bescherming van de klant.
Al die “rechten”, echter, kosten handenvol geld, en dan nog niet eens omdat het bedrag dat de slaaf
zou ontvangen zo groot is. Neen, het is vooral de administratie van die hele grap die handenvol geld
kost. In plantages die zelfs nog maar een kleine lening hebben kunnen vastkrijgen zit je al gauw aan
een derde van de katoenplukkers die in feite de administratie doen van de rechten die aan de andere
twee derden toekomen. In de oudere plantages, waar die administratie al wat jaren op de teller heeft,
kan dat zelfs oplopen tot het omgekeerde: twee derde van de plukkers administreert de rechten van
één derde. En van zichzelf natuurlijk.
Het grootste voordeel van die administratie moet onmiddellijk duidelijk zijn: het geeft de slaaf de
indruk dat er voor hem gezorgd wordt, en zo komt hij niet al te snel in opstand wanneer het aantal
kilo’s dat hij moet plukken weer maar eens de hoogte in gaat. Je hebt er zelfs zéér creatieve
exemplaren bij, die bij gestegen belastingen nog harder werken en in wezen meer over houden dan
het geval ware geweest indien de belastingen niet waren gestegen. Dat komt omdat ze, nog voor
andere fiscale slaven daar de kans schoon toe zien, wijselijk ingaan op de speciale programma’s die
het management voorziet – in de volksmond “subsidies” geheten.
Conclusie
23
Geen enkele van de drie machten waaruit de Trias Politica zou bestaan zijn er voor en door het volk.
De wetgevende macht wordt verkozen volgens de voorkeuren van de uitvoerende, en die uitvoerende
zelf is niet de uitvoerende macht van de bevolking, maar het management van de slavenplantage, dat
werkt in opdracht van de eigenaars ervan. De staat, met andere woorden, is een staat van bewustzijn:
zolang de burger niet doorheeft dat hij in wezen niet meer is dan een stukgoed dat is ingeklaard in
een psychopathisch rechtssysteem, zal dit systeem blijven draaien. De staat, dat is de illusie die de
eigenaars van de belastingplantage verkopen aan de slaven die erin moeten werken. Door hen
“rechten” te geven (betaald met hun eigen productie) en verkiezingen krijgen ze de indruk medeeigenaar te zijn, wat de fiscale uitbuiting hermetisch maakt voor elke kritiek.
24
Hoofdstuk II: De basale fout: modernisme
Abstract:
Modernisme is de overtuiging dat de mens God niet nodig heeft om een zinvol leven te kunnen
leiden: wetenschap, techniek en vooruitgang in het algemeen vervullen die functie. In dit
hoofdstuk toon ik aan waarom die gedachte fout is: het uitsluiten van oneindigheid (God) leidt
tot nihilisme. Ik duid de hoofdverantwoordelijke hiervoor aan, en toon aan dat geen enkele
filosoof van de moderniteit het fundamentele probleem heeft erkend: de mens is NIET het
rationele dier, maar het symbolische dier.
Inleiding
De realiteit die ons omringt kunnen we analyseren op vijf abstractieniveaus: het economische (1), het
politieke (2), het ethische (3), het epistemologische (4) en het metafysische (5). Elk van die niveaus
correspondeert met een interne laag van onze psyche, die geactiveerd wordt naarmate wij ons
bewuster worden van ieder niveau dat boven ons huidige niveau ligt. Modernisme komt neer op de
filosofische omkering van niveau 4 en 5: daar waar het hoogste niveau normaal de lagere niveaus zou
moeten sturen en inspireren, heeft de mens op een gegeven moment beslist dat hij zélf niveau 5 vorm
kon geven: hij heeft de plaats van God ingenomen.
Dit onderwerp is niet gemakkelijk, omdat het woord God, in moderne tijden, heel wat weerstand
oproept. Modernisme is precies het idee dat de mens door niets kan worden tegen gehouden, dat hij
zijn bestaan volledig zelf kan invullen, en het idee van God past daar niet bij. God, althans volgens
de modernen, is een beperkende factor, en wetenschappelijk onderzoek heeft ondertussen voldoende
aangetoond dat dingen die vroeger aan bovennatuurlijke factoren werden toegeschreven, een perfect
natuurlijke verklaring kunnen hebben. Wie vandaag nog een lans breekt voor het bestaan van God,
die zet zich quasi automatisch buiten elk “ernstig” debat.
Daarom moet ik van in den beginne zeer duidelijk maken wat ik versta onder God. Mijn beeld over
God is namelijk niet katholiek, noch boeddhistisch, noch heidens, noch behoort het tot enige andere
culturele traditie. Dat komt, zeer eenvoudig, omdat ik géén beeld over God heb, en dit vanuit de
overtuiging dat God alle concepten overstijgt. Voor mij is de aanduiding “God” dan ook niet meer
dan de aanduiding voor een fenomeen dat men in alle culturen probeert te vatten. Het is een fenomeen
dat niemand begrijpt, edoch iedereen schijnt te aanvaarden (op de modernisten na). Ik heb het over
het fenomeen oneindigheid.
25
Als ik dus spreek over God, dan bedoel ik daar niet Jahwe mee (wat een gods-concept is), noch Osiris
(wat een gods-concept is), noch Shiva (wat een gods-concept is), maar datgene wat alle concepten
overstijgt: de eenheid en oneindigheid der dingen. God en oneindigheid, voor mij, zijn twee exacte
synoniemen. Meer nog: het zijn de meest exacte synoniemen denkbaar. Werpen en gooien zijn ook
twee synoniemen, maar hun connotatie verschilt toch nog een klein beetje. Enkel bij God en
oneindigheid zijn de connotatie en de denotatie exact hetzelfde. Althans: dat is wat u zal ervaren als
u zich ontdoet van allerlei cultureel geconditioneerde gods-concepten.
In dit hoofdstuk wil ik u duidelijk maken dat niveau 5 (metafysica) God is, en u aantonen hoe de
mens met het verwerpen daarvan een leegte creëert. Die leegte, echter, is niet statisch, maar sijpelt
door op alle lagere niveaus. Op niveau 4 bijvoorbeeld – het niveau van de filosofie en de cultuur –
krijg je het fenomeen constructivisme: men gaat theorieën bouwen die helemaal los staan van de
werkelijkheid, maar zo danig groot en uitgebreid worden dat ze een werkelijkheid op zich gaan
vormen, waardoor de “ware” realiteit niet eens meer kan doordringen, en alle argumenten die volgens
die theorie “niet wetenschappelijk” zijn, worden verworpen.
Op niveau 3 dan – het niveau van de ethiek en de psychologie – wordt iedereen die de theorie (en
dus: werkelijkheid) die werd ontworpen op niveau 4 niet aanvaardt, gezien als een afvallige of zelfs
een vijand. Wie erbij wil horen, die kan dat, maar die ervaart een enorme sociale druk om zich te
conformeren aan de basisdogma’s van de theorie of ideologie van die groep. Dit is het fenomeen
conformisme, wat maakt dat vrije en interessante persoonlijkheden gereduceerd worden tot klonen
van elkaar, en er ook alles aan zullen doen om alles wat niet conform is met de abstracte norm, de
kop in te drukken. Wie zijn hoofd boven het maaiveld uitsteekt, die zijn kop moet eraf. Niet de mens
maar de ideologie is het belangrijkste.
Het gevolg op niveau 2 – het niveau van de politiek en het recht – laat zich gemakkelijk raden:
aangezien enkel wie in de theorie gelooft als goed mag worden gezien, is iedereen die daarbuiten valt
automatisch een bedreiging voor het eigen wereldbeeld. Zodoende moeten maatregelen worden
genomen om die “heidenen” te kortwieken en te controleren. Met de volste toestemming komen op
die manier leiders aan de macht die als voornaamste doel het behouden van het wereldbeeld van hun
achterban hebben. Het controleren, kleineren en dwingen van wie dat wereldbeeld niet deelt is de
essentie van dit politiek systeem. Dit fenomeen kunnen we omschrijven als legaal positivisme: wetten
stemmen die niet vrijheid beogen, maar macht over vriend en vijand.
Het gevolg op niveau 1 – economisch consumentisme – is iets wat doorgaans op geen enkele manier
met al het voorgaande wordt geassocieerd. Dat komt omdat men zich niet bewust is van de
psychologische gevolgen die intrinsiek verbonden zijn aan de omkering van niveau 4 en 5. Wie
26
God/oneindigheid verwerpt, namelijk, die zegt in wezen dat het bestaan eindig is, of nog: dat het
grenzen heeft. Echter: het enige waaraan het volledige bestaan kan grenzen, indien het dan toch niet
oneindig is, is niet simpelweg iets anders. We hebben het niet over een lego-blokje dat grenst aan een
ander, maar over het complete heel-al: het geheel van alle ruimtes en alle objecten.
Het enige waaraan het volledige bestaan kan grenzen, indien het dan toch niet oneindig is, is zodoende
… niets. Daarmee wordt meteen duidelijk waarom economisch consumentisme wel degelijk ook een
gevolg is van de moderne mind-set: het moet de existentiële leegte tegen gaan. Economisch
consumentisme wordt dus niet zozeer aangedreven door de vrees er niet bij te horen – dat is louter
een lager product van psychologisch conformisme (N3). De toestand is ernstiger dan dat: door het
niet expliciet aanvaarden van het bestaan van oneindigheid/God maakt zich van de mens een radicaal
onbestemde vrees meester: de vrees voor … niets. Het is die existentiële vrees die de essentie van de
moderne malaise is.
Denken in lagen
Laat ons nog even de vijf niveaus overlopen, zodat we een duidelijk beeld krijgen van de moderne
malaise. Het is enkel wanneer we snappen wat aan de hand is, dat we een remedie kunnen voorzien.
Die zal bestaan in het heruitvinden van de Logos op een symbolische manier, maar daar zijn we nog
niet. Eerst moeten we de gapende leegte recht in de ogen kijken. En dat kan enkel wanneer we snappen
hoe onze natuurlijke intellectuele evolutie als kind onderweg ergens gestoten is op een artificiële
intellectuele cultuur. Laat ons dan ook die natuurlijke weg eens herbeleven, en voelen waar het fout
gelopen is in onze evolutie van vrij kind tot volleerde slaaf.
Het eerste wat een kind doet wanneer het ter wereld komt, is rond zich heen grijpen. Dat is het
economische niveau: we zijn letterlijk blind, maar toch willen we al materie tot ons nemen. De
voornaamste leverancier van materie is de mater, of moeder. Zij geeft ons voeding, aandacht, in
wezen is er geen economisch probleem. Het is pas later, als wij groter en mobieler worden, dat wij
merken dat er nog andere kinderen zijn met economische wensen. In de kleuterklas is er bvb. maar
één fietsje waarmee rond gereden kan worden, en in het begin zijn hier zelfs mini-gevechten over.
Gelukkig zijn er grotere mensen – volwassenen – die blijkbaar regels hebben uitgevonden die het
gebruik van dat fietsje regelen: tot de wijzer bovenaan staat mag jij, en dan iemand anders.
Dat is niveau 2: de wet. Kinderen zijn de beste politie-agenten die er zijn: eens een regel is
afgesproken, zijn zij er als de kippen bij om overtredingen te signaleren aan de autoriteiten, en dit
vanuit een heus eergevoel: “Dat mag niet!”. Het kind vraagt zich nog niet af wie die regels maakt,
noch of ze rechtvaardig zijn. Het kind begrijpt intuïtief dat economische goederen schaars zijn, en
27
gaat ervan uit dat indien niemand zich aan de wet zou houden, de samenleving van kinderen terug in
de chaos van voorheen zou vallen waarin iedereen boos is, en niemand echt kan genieten van het
fietsje. Ook in het opgroeien blijft deze natuurlijke (en correcte!) intuïtie werken.
Tot het moment waarop het jonge kind merkt dat iemand de regels overtreedt … en toch niet tot de
orde wordt geroepen. Vaak zijn dit ervaringen met volwassenen. Dit is niveau 3: de moraal. Hoe kan
het dat sommigen de wet moeten volgen, en anderen niet? Het kind begint zich af te vragen wat het
eigenlijk is dat de wet legitimeert. Het is een leeftijd waarop het enorm geïnteresseerd geraakt in
ethisch handelen – het handelen dat goed is voor iedereen. Vanaf dan volstaat het niet meer dat
juridische systemen zijn wat ze zijn – ze moeten ook gelegitimeerd worden. Deze fase van ethisch
onderzoek kan héél lang duren, en zelfs nooit afgesloten geraken, indien er geen cultuur is die die
vragen kan gidsen.
De volgende vraag die immers gesteld moet worden – maar zonder intellectuele autoriteiten kom je
niet eens tot dat analyseniveau – is wat precies de grondslag van de ethiek is? Het kind, ondertussen
puber geworden, gaat zich de vraag stellen of ethiek niet louter een afspraak tussen mensen is, en dus
in feite deel uitmaakt van het politiek systeem: zolang ik iemand kan laten geloven dat mijn juridisch
systeem ethisch is, dan kan ik het aanwenden naar eigen goeddunken. Dit is de periode waarin tal van
ethische systemen met elkaar worden vergeleken – van dat van de Aboriginals tot dat van de moderne
mens – alleen maar om te vinden dat er een probleem is dat nog dieper ligt: waar moet een ware
ethiek eigenlijk finaal toe leiden? Wat is de finale bestemming van de mens?
28
Dat is niveau 4: dat van de filosofie. Op dit niveau wordt de fundamentele relatie tussen de mens en
zijn omgeving onderzocht, of, filosofisch geformuleerd: tussen ons bewustzijn en het bestaan. Het is
pas als op die vraag een antwoord komt, zo lijkt het in deze fase, dat we in staat zullen zijn om een
ware ethiek te formuleren. En het is pas als we een ware ethiek uitgebeiteld hebben, dat we ook een
waarachtig politiek systeem kunnen afleiden dat die ethiek in stand houdt en bevordert. Niveau 4 is
de fase waarin de vraag wordt gesteld naar de fundamentele aard van het zijn (wat eigenlijk sowieso
niveau 5 is), en onze relatie daarmee. Het is een tijd waarin extreem veel aandacht uitgaat naar de
juiste methode om de waarheid te bereiken.
Fase 5 begint wanneer het individu aanvaardt dat geen enkele objectieve methode tot waarheid kan
leiden, en dit omdat de waarheid veel groter is dan gelijk welke theorie erover. De waarheid is
namelijk oneindig, en zodoende is het ook een synoniem van God. (God = Waarheid) Wij hebben
onze menselijke waarheden, maar die zijn enkel geldig voor dingen en configuraties van dingen, en
zijn zodoende nooit universeel. Aangezien alles wat gecreëerd is namelijk ook vergaat, kunnen
waarheden over dat soort zaken maar in een bepaalde context van tijd en plaats waar zijn. Zélfs de
zogenaamde exacte natuurwetten zijn slechts tijdelijk waar – ze verschuiven doorheen plaats en tijd.
Modernisme
Modernisme aanvaardt die laatste stelling niet. Die denktrant blijft steken op niveau 4: men kiest een
onomstotelijk zeker axioma, en van daar leidt men alle waarheden af. De twee axioma’s waarop de
moderniteit gebouwd is, echter, zijn vrij eenvoudig onderuit te halen. Het eerste axioma is dat we aan
alles kunnen twijfelen, behalve aan het feit dat er iets is dat het twijfelen doet. Het tweede axioma is
dat we, gebaseerd op dat eerste axioma, experimenten kunnen uitvoeren waarvan de uitkomst ofwel
waar of onwaar is – dat we objectief kunnen zijn. De ervaren lezer zal hierin ongetwijfeld een echo
van René Descartes herkennen, en ook van Francis Bacon.
Het idee dat de waarheid geconstrueerd moet worden vanaf de zekerheid van het ik, evenwel, werd
al dubieus bevonden in Descartes’ tijd. Maar ook in onze tijd is het al op grandioze manier onderuit
gehaald, en wel door Kierkegaard. Die merkt op dat het idee dat alles logisch te verbinden valt met
de onomstotelijke zekerheid dat er iets is dat twijfelt – een ik – berust op de impliciete overtuiging
dat dit “ik” of “ego” al op constante wijze bestaat. De zinsnede “ik denk dus ik ben”, aldus nog
Kierkegaard, is niets meer dan het ontwikkelen van een concept, namelijk “ik”, waarvan het bestaan
sowieso al is aangenomen. Tja. Dat, op zich, maakt het hele “cogito” in wezen triviaal: we nemen al
aan dat het ik bestaat, en eens dat aangenomen is, zeggen we … dat het bestaat.
29
Onderschat echter nooit de kracht van slechte ideeën. Descartes kwam op een moment dat Europa
murw geslagen was door een verschrikkelijke godsdienstoorlog tussen Katholieken en Protestanten,
en waarin het idee dat de waarheid niet afhankelijk was van een godsdienstig dogma, maar van de
menselijke rede zelf, een heel groot appel had. Dat die oorlog aan beide kanten gefinancierd werd
vanuit Venetië, en ook Descartes’ ideologie een vorm van oorlogsvoering tegen een transcendente
visie op de mens kan ik niet bewijzen. Ik vermoed het, omdat centrale bankiers alle belang hebben
bij de bevordering van het moderne type van mens: eens men van God los is, zal de existentiële angst
die hierdoor ontstaat opgevuld moeten worden met economisch consumentisme.
Het andere idee dat de moderniteit beheerst komt van Francis Bacon, die de branie had te denken dat
hij de experimentele methode heeft uitgevonden. In zijn boek “Novum Organum” (1620) maakt hij
een overzicht van alle technieken die een objectief resultaat opleveren wanneer een bepaalde
hypothese wordt onderzocht. Die “Novum” in de titel van zijn boek, is een verwijzing naar de zes
boeken van Aristoteles over logica die door zijn opvolgers het “Organon” genoemd werden, en
getuigt van een houding die kenmerkend is voor de moderniteit: alles moet opnieuw uitgevonden
worden, het verleden is donker en dom. Dat Aristoteles al experimenten deed om de causaliteit van
natuurwetten te achterhalen, en Archimedes, en vele anderen, dat mag de modernist niet hinderen.
Wat is er dan mis met de visie van Bacon? Op zich niets, ware het niet dat het idee dat wij via
experimenten tot objectieve kennis kunnen komen, helemaal niet klopt. Aan elk experiment,
namelijk, gaat een hypothese vooraf, en die is volledig subjectief. Wat Bacon deed, met zijn enorme
nadruk op het belang van methode, was de indruk wekken dat de wetenschap de filosofie helemaal
niet meer nodig had. Het idee, evenwel, dat wetenschap in theoretische luchtledigheid kan beoefend
worden, is volstrekt onjuist: élke onderzoeker heeft impliciete voor-onderstellingen die hij of zij
bewezen wil zien. Een experiment is dus slechts een manier om die voor-onderstellingen ofwel
bevestigd of verworpen te zien – het is niet de essentie van waarachtig weten.
Dat laatste idee – dat van het experiment als de enige manier om tot objectief weten te komen – is op
zich niet zo gevaarlijk, maar in combinatie met het idee dat de waarheid logisch geconstrueerd moet
worden vanaf het eigen ik, bekom je de nihilistische cocktail waar ik het eerder over had:
epistemologisch constructivisme. Dat eigen ik, namelijk, is helemaal niet zo stabiel en constant als
men wil geloven, en heel vaak is het zo dat “objectief” experimenteel bewijs vooral de agenda van
dat eigen ego dient; met wetenschap heeft dit maar weinig meer te maken. Wat je krijgt is een soort
ideologisering van de wetenschap, gemaakt op maat van de volgelingen van een bepaalde set aan
dogma’s, zoals daar zijn: de wetten van de natuur zijn exact en onveranderlijk.
30
Solipsisme
Mocht het cogito van Descartes simpelweg nergens toe leiden, dan zou de ravage in de filosofie nog
te overzien zijn geweest. Maar het is erger dan dat: wie meegaat in de theorie dat het enige waar we
zeker van kunnen zijn ons twijfelende ik is en we de waarheid van daar af moeten opbouwen, die
heeft impliciet een positie aanvaard die de dood van elke filosofie is: solipsisme, wat neerkomt op de
overtuiging dat het enige wat bestaat onze eigen bewuste geest is. Dit aspect van het Cartesiaans
denken wordt doorgaans nooit belicht, maar dat Descartes bewust van moet zijn geweest van het
probleem met solipsisme bewijst zijn positie inzake het bestaan van die buitenwereld.
Aangezien God oneindig goed is, aldus Descartes, heeft hij de mens gecreëerd met een aangeboren
houding om het bestaan van een externe, waarneembare wereld te aanvaarden, waaruit voor Descartes
volgt dat zo’n externe wereld ook effectief bestaat (sic). Bovendien komt, aldus nog Descartes, de
innerlijke wereld van de aangeboren ‘ideeën’ perfect overeen met de buitenwereld van waarnemingen,
waardoor alle solipsistische twijfels worden geneutraliseerd. U bemerkt: men hoeft helemaal geen
goeie filosoof te zijn om succes te hebben. Het enige wat je nodig hebt is een goeie
propagandamachine die je theorie verkoopt alsof het het nieuwe evangelie is, en klaar is kees. Of hoe
een totaal onsamenhangende theorie de wereld veroverde.
Ga het maar eens na: zélfs al heeft God inderdaad de mens gecreëerd met een aangeboren houding
om het bestaan van een externe, waarneembare wereld te aanvaarden, dan nog volgt daaruit niet dat
die ook effectief bestaat. Dat is een non sequitur van jewelste, een joekel van een denkfout. Dat
niemand die ooit opgemerkt heeft, of nog Descartes nog maar voor de voeten geworpen heeft dat zijn
systeem uiteindelijk toch berust op goddelijke interventie, moge één van de grootste raadsels van de
moderniteit worden genoemd. Naar mijn aanvoelen is het helemaal geen raadsel, maar kan dit gezien
worden als een geplande verwarring, onderdeel van een psychologische oorlog gevoerd door bankiers
tegen wat ooit een zelfbewuste gemeenschap van christelijke mensen was.
Dat de impact van Descartes enorm is, mag besloten worden uit het feit dat alle filosofie die na hem
kwam in feite zijn dictum als uitgangspunt neemt, bewust of onbewust. Zelfs John Locke, wiens
empiristische filosofie gezien mag worden als de belangrijkste reactie tegen Descartes’ systeem, kon
het impliciete solipsisme in diens positie niet weerleggen, enkel ontwijken. Het zogenaamde
“argument from analogy”, waarbij men aanneemt dat we de inhoud van andere geesten kunnen
kennen door aan te nemen dat er een analogie bestaat tussen wat in die geest omgaat en in de onze, is
enkel een aanname, geen bewijs dat solipsisme fout is.
31
Zelfs Kant overkomt dit probleem niet. Door te stellen dat er zoiets bestaat als analytische en
synthetische waarheden, accepteert zelfs hij impliciet dat het ik het startpunt van het denken moet
zijn. Maar wat analytisch is voor de ene hoeft niet noodzakelijk analytisch te zijn voor de andere. De
stelling “alle vrijgezellen zijn ongetrouwd” wordt doorgaans gezien als een analytische waarheid
omdat verondersteld wordt dat iedereen weet wat een vrijgezel is. Maar die term heeft zelf enkel
betekenis voor mensen die weten waaraan iemand moet voldoen om geclassificeerd te kunnen worden
als ongetrouwd. Zodoende hangt zelfs een simpele analytische uitspraak zoals deze af van een zekere
ervaring met de wereld, die voor iedereen anders is.
Nihilisme
Alles hangt dus af van de subjectiviteit van de “ik” die aan het filosoferen is, iets wat ironisch genoeg
niet erkend wordt door moderne filosofen. Ofwel volharden ze in de boosheid door te doen alsof het
cogito wel degelijk een objectief startpunt van het denken is, ofwel schieten ze helemaal door naar de
andere kant, en stellen dat er helemaal géén objectief startpunt van het denken kan zijn. Die laatste
stroming heeft, in allerlei vormen en kleuren, uiteindelijk de bovenhand gehaald, en dit met alle
metafysische gevolgen van dien. Het trieste eindpunt zijn de denkbeelden van denkers zoals Sartre.
Voor hem, bijvoorbeeld, is er niets waar, waarmee hij niet louter bedoelt dat er geen enkele stelling
zou zijn die waar is, maar dat enkel … niets werkelijk waar is.
Bemerk de shift van niveau 4 naar niveau 5: de uitspraak van Sartre gaat niet over een filosofische
aangelegenheid inzake concepten (epistemologie), maar over de aard van de werkelijkheid zelf
(metafysica). “Niets”, voor hem, moet niet begrepen worden als de (epistemologische) aanduiding
voor de afwezigheid van iets, maar als de (metafysische) werkelijkheid dat enkel niets bestaat. Alles
wat dus buiten dit niets om wel degelijk bestaat – alle vormen, alle dingen, alle objecten – zijn volgens
nihilisten dus in feite aberraties tegenover de ware werkelijkheid, die … niets is. Vandaar het inherent
destructieve karakter van de moderniteit: alleen wanneer alles weer niets is, zal de wereld
overeenkomen met het wereldbeeld van de nihilisten.
Behoeft het veel uitleg dat de overtuiging dat niets niet gewoon de epistemologische aanduiding voor
de afwezigheid van iets is (niveau 4), maar daadwerkelijk … “een iets” is in metafysische zin (niveau
5) letterlijk de meest fundamentele contradictie in het universum is? Me dunkt van niet. Beweren dat
niets bestaat als ding op zich, namelijk, komt neer op de bewering dat “niets” plaats inneemt, dat het
grenzen heeft. Maar hoe kan niets werkelijk niets zijn, als het niet overal is? Datgene wat
lokaliseerbaar is, namelijk, kan veel zijn, maar het is wel degelijk steeds een ding. En de hele
bewering is dat niets “an sich” bestaat, dat het de meest fundamentele werkelijkheid zou zijn – het
niet-bestaan van ook maar iets – loopt daar spaak mee.
32
Het is niet gemakkelijk om de positie van een metafysisch nihilist te vatten, temeer daar hij of zij die
positie nooit expliciet inneemt. Mocht dat wel zo zijn, namelijk, dan zou de contradictoire natuur van
dat standpunt meteen overduidelijk zijn: niets is niets, en gaan beweren dat het iets is, invalideert het
hele idee dat het woord “niets” probeert over te brengen. Nihilisme ga je dus nooit terugvinden in zijn
pure vorm (niveau 5), maar steeds via een cultureel aanvaarde reductie daarvan (niveau 4). Men zal
zich deterministisch uitlaten, bijvoorbeeld, of positivistisch, of empiristisch, of rationalistisch. Het
zou ons hier te ver leiden, maar al die cultureel aanvaarde reducties gaan wel degelijk impliciet uit
van het bestaan van niets.
Wetenschap
Vreemd genoeg is ook de wetenschap ten prooi gevallen aan het nihilisme. Die ene menselijke
activiteit waarvan je het niet zou verwachten, is gebrand geraakt op het opsporen en uitschakelen van
elke overtuiging die niet bewijsbaar is. Dat was niet de oorspronkelijke functie van wetenschap. Via
experiment en verwerping van hypotheses – via eliminatie van contradictie – werd inderdaad gepoogd
om uit te sluiten wat de waarheid zeker niet kon zijn. Sinds de moderniteit gaat wetenschap echter
een stuk verder, en gaat ze nu ook positief dingen beweren. Bijvoorbeeld dat God niet kan bestaan.
Ooit was het zo dat datgene wat contradictorisch was, uitgesloten werd. Nu is het zo dat uitsluiting al
geldt voor datgene wat niet bewezen kan worden.
Maar bewijzen is maar één van de drie methodes ter validatie van kennis. Axiomatische validatie en
ostensieve validatie zijn de twee andere. Be-wijzen, namelijk, is wat je doet als je iets niet direct kan
aanwijzen (ostensieve validatie) dan wel kan aantonen als on-ontkenbaar (axiomatische validatie).
Bewijzen is het logisch verbinden van observaties met een axioma, maar noch dat axioma, noch die
observaties op zich, kunnen zelf bewezen worden. Het axioma bij uitstek is oneindigheid, en daar kan
de moderne wetenschap niet mee om. De bron van observaties zijn onze zintuigen, en ook die worden
gewantrouwd. Zintuiglijke ervaringen worden zoveel mogelijk gestandaardiseerd, en oneindigheid
wordt gemathematiseerd.
33
Het is echter precies in de oneindige ruimte tussen de individuele zintuiglijke ervaring en de
gestandaardiseerde versie ervan dat zich betekenis schuil houdt. Door oneindigheid niet te respecteren
krijgt alles een verklaring binnen een wetenschappelijk kader, maar dat hele kader op zich is
nihilistisch. De reden is eenvoudig: moderne wetenschappers erkennen niet dat wetenschap finaal
ook niet meer dan een geloof is, met name het geloof in causaliteit. Nemen we dus inderdaad als
criterium dus dat iets slechts waar is als het bewezen kan worden (dat is het dogma van de moderne
versie van “wetenschap”), dan moeten we besluiten dat moderne wetenschap niet wetenschappelijk
is. En dat is ook zo: ze is ideologisch.
Sinds Hume, namelijk, weten we al dat het niet is omdat fenomeen B in het verleden telkens heeft
gevolgd op fenomeen A, we daaruit zomaar mogen besluiten dat fenomeen A fenomeen B
veroorzaakt. Dat kan namelijk telkenmale toeval zijn geweest, en er is fundamenteel geen manier om
te achterhalen of dat effectief zo was, dan wel of er inderdaad een oorzakelijk verband te ontwaren
valt. Een appel kan één miljoen keer vanuit een boom op de grond vallen, maar niemand kan
garanderen dat omwille van die veelvuldige herhaling die appel morgen niet plots richting de hemel
kan wegzweven. Correlatie is geen causaliteit.
Wetenschappers die de mogelijkheid niet meer open laten dat wat zij onderzoeken in feite niet causaal
is, hangen dus ook een geloof aan. Alleen wordt dat geloof niet meer als geloof erkend. Het is de
“native view” geworden, en die is ondertussen vér buiten zijn limieten getreden. Zelfs het ontstaan
van het universum kan nu “wetenschappelijk” verklaard worden via de theorie van de Big Bang. Dat
34
er om zo’n ontploffing mogelijk te maken überhaupt al iets moet zijn dat kan ontploffen, laat men
voor de aardigheid netjes achterwege. Het idee dat er helemaal niets is ontploft, maar de schepping
emaneerde vanuit de oneindigheid, past niet in de reductionistische visie op wetenschap: enkel
materiële zaken kunnen causaliteit vertonen, oneindigheid niet.
Filosofie
Ook de filosofie heeft zich compleet weggeredeneerd ten faveure van de wetenschap. De algemene
overtuiging is dat filosofie een noodzakelijke stap was in de evolutie van de mensheid, en wel om te
kunnen komen tot de moderne overtuiging: enkel wetenschap produceert kennis. Filosofie is enkel
nog nuttig in speculatieve zin, bij het formuleren van hypotheses, maar eens die geformuleerd zijn,
neemt de wetenschap het wel over. Filosoferen doe je wanneer de wetenschap nog geen uitsluitsel
heeft gebracht. Het is een soort pre-wetenschappelijk stadium, ietwat primitief in zijn methoden. Maar
gelukkig is er de moderne experimentele methode, waarmee alle twijfel uitgesloten kan worden: “het
is wetenschappelijk aangetoond dat”.
Maar wetenschap vertrekt van premissen die ontegensprekelijk filosofisch en dus speculatief zijn.
Causaliteit werd al besproken, maar ook het idee dat de wetenschap nog niet alles kan verklaren, en
dat ooit wel zal kunnen doen, is ook eveneens verborgen nihilistische premisse. Het idee, namelijk,
dat de wetenschap ooit alles zal kunnen verklaren, gaat er impliciet van uit dat het bestaan eindig is.
Dat onze kennis nu nog niet voldoende is om alles te beschrijven, maar dat we op een dag wel ons
hoofd rondom het heelal zullen kunnen krijgen, en het dus zullen kunnen bevatten. Deze premisse
wordt nooit expliciet gemaakt, maar ontkent wel degelijk dat het bestaan oneindig is. En wie dat
ontkent, die zegt eigenlijk dat het Niets bestaat.
De filosofie heeft hier geen antwoord op, omdat ze nog steeds in het moderne en dus Cartesiaanse
denkkader gevangen zit. Nog steeds probeert ze een antwoord te formuleren op de valse vraag hoe
wij zeker kunnen zijn dat onze identificaties van de werkelijkheid effectief waar zijn. Het hele punt
is echter dat we dat radicaal niet kunnen, en wel omdat onze menselijke geest te beperkt is om het
heelal te bevatten. Dat erkennen vergt echter nederigheid, en die kwaliteit past niet bij de moderne
mens: die zwelgt in ego omwille van alles wat al via de rede bereikt is. De rede heeft zichzelf zo
opgeblazen dat het niet langer zijn eigen etymologie respecteert, maar een ding an sich geworden is,
een realiteit die zijn eigen wetten stelt.
De etymologie van rede is namelijk het Latijnse woord “ratio”, of verhouding. Tussen wat? Tussen
onze private binnenwereld en de publieke buitenwereld. De rede was oorspronkelijk een punt, en elke
contradictie die onze gedachtewereld wou binnendringen werd in relatie tot haar eigen puntige
35
eenvoud al snel te groot bevonden, te ingewikkeld. De waarheid was één-voudig en behoefde niet
veel woorden. Vandaag is de rede echter een blaas, en elke contradictie die die blaas verder mee kan
helpen groeien, is des te meer welkom. Binnenin die luchtbel van ideologische overtuiging heerst
logische zekerheid. Alles wat buiten die luchtbel plaatsvindt is “onwetenschappelijk”, “onlogisch” of
“irrationeel”.
Wat de rede niet kan zien, is dat het bestaan inderdaad radicaal onzeker is, geen enkele theorie dus
een logische grond heeft, en de relatie tussen beide de realiteit en onze theorie erover dus radicaal
onbepaald is. Of met andere woorden: dat we vrij zijn om te geloven waarin we willen geloven, ook
als ons geloof volstrekt onwetenschappelijk zou zijn. (In de modernistische opvatting dan). Het enige
criterium dat wel degelijk gerespecteerd moet worden is filosofisch: contradicties leiden nooit tot
waarheid. Je bent vrij om te geloven wat je wil, maar wanneer je geconfronteerd wordt met een
contradictie in uw denken, dan moet u uw premissen checken. Doe je dat niet, en behoud je de
contradictie, dan mag zelfs dat. Maar dan mag je niet meer beweren de waarheid te dienen.
Conclusie
De meest zichtbare resultante van de modernistische chaos waarin we nu leven zijn de vele
contradicties die de politiek vandaag de dag beheersen. De burger zou te onverantwoordelijk zijn om
vrij te zijn, maar dan vervolgens wel verantwoordelijk genoeg om zelf zijn leiders te kiezen. De
moderne mens zou vrijer zijn dan de mens onder het Ancien Régime, maar nog nooit zijn er zoveel
absurde en contradictorische wetten geweest waaraan ie zich moet houden. De Trias Politica zou de
garantie zijn tegen totalitaire uitbuiting door de overheid, maar wie twijfelt aan de geldigheid van de
trias politica is “ondemocratisch” en dus meteen staatsvijand nummer één. En vooral: de moderne
mens zou met dit rationeel bestel zogezegd gelukkiger zijn, maar is nog nooit zo apathisch geweest.
Het wordt tijd om te erkennen dat er een fundamentele fout zit in ons moderne politieke bestel: die
fout is moderniteit – het geloof in vooruitgang, wetenschap, maakbaarheid. De mens is niet het
rationele dier waar het altijd voor gehouden werd. De mens is bovenal het symbolische dier, en wie
die aard niet respecteert, die zal zoveel ogenschijnlijk zinloos gedrag moeten compenseren met steeds
maar meer wetten. Het is dus zaak terug te keren naar een politiek systeem dat niet materiële welstand
centraal stelt, maar spirituele zingeving. En daartoe zie ik maar één manier: de moderniteit radicaal
verwerpen, en terug te keren naar wat daarvoor kwam: de Logos.
36
Hoofdstuk III: De terugkeer naar de Logos
Abstract:
Wil de mens terug zin vinden, dan moet hij zich richten op de oneindigheid: dat is waar hij
vandaan komt, en dat is waar hij terug naartoe zal gaan. Wat we hier ondertussen doen, kan
niet wetenschappelijk beantwoord worden. Het antwoord daarop moet filosofisch zijn. In dit
hoofdstuk presenteer ik een nieuwe versie van de Logos: niet Platoons, niet evangelisch, maar
volstrekt symbolisch. Het is mijn overtuiging dat dit ook de manier is waarop Christus de
triniteit bedoelde: wie de Vader aller wijsheid kan aanvaarden, wordt een Zoon van God, en
zal, met behulp van de Heilige Geest, de hemel (éénwording) bereiken.
Inleiding
Een aspect van de moderniteit dat in vorig hoofdstuk minder aan bod is gekomen, is het oeverloze
geloof in logica en rationaliteit. Hoewel zo’n geloof op zich niet fout is, is die “oeverloosheid” wel
degelijk een probleem: men rationaliseert élke observatie in een logisch schema, en binnen dat logisch
schema is men zo zeker van de eigen visie op de werkelijkheid dat dat schema na verloop van tijd
zélf de werkelijkheid wordt. Dit is een geestesziekte die psychose heet, en het is de toestand waarin
de overgrote meerderheid van de Westerse mensheid zich in bevindt: geen verschil meer kunnen
maken tussen de werkelijkheid en ons beeld van de werkelijkheid.
De grote vraag, natuurlijk, is hoe wij kunnen weten wat “werkelijk werkelijk” is, of met andere
woorden waar, en wat slechts “virtueel werkelijk” is, of met andere woorden illusoir. De moderne
filosoof zal antwoorden dat waarheid simpelweg de correcte identificatie van de werkelijkheid is, en
het erop aankomt het juiste logische pad te volgen. Maar zoals in vorig hoofdstuk aangetoond ben je
met logica alleen niets: alles hangt af van het startpunt dat je aanhangt. Die startpunten, bovendien,
zijn op zich totaal a-logisch, speculatief, of zoals een modernist zou zeggen: “irrationeel”. Ze zijn
nergens mee te bewijzen, maar zelf het begin van alle bewijs.
Hoe selecteer je dan een correct startpunt van het denken? Er is maar één manier: trial and error. Je
kiest een startpunt, bekijkt de implicaties, en telt het aantal contradicties dat dit startpunt oplevert.
Kun je een ander startpunt vinden dat meer verklaart of minder contradicties oplevert, dan heb je
vooruitgang gemaakt. Dit is een intellectueel monnikenwerk, want er zijn héél veel mogelijke
startpunten en een verbetering van je startpunt op één gebied kan een verslechtering betekenen op een
ander gebied. Ik heb in totaal vijf jaar nodig gehad om in te zien dat de truc is om een paradoxaal
startpunt te nemen: dat bevat alle mogelijkheden, de negatie van het startpunt incluis!
37
Het startpunt waar ik het over heb is de paradox van radicale onzekerheid. Dat noem ik de Vader van
alle wijsheid. Het bewustzijn dat de Vader kan aanvaarden, noem ik de Zoon, en dat soort bewustzijn
wordt gekenmerkt door nog een tweede paradox: totale onwetendheid. De Heilige Geest, dan, is de
relatie tussen de Vader en de Zoon: slaagt een onwetend bewustzijn erin om een onzekere realiteit te
aanvaarden, dan ontstaat een verschil tussen beide, waardoor alles logisch wordt: de logica heeft geen
aanwijsbare basis in de realiteit, behalve diegene die we zelf creëren. Het gevolg is dat het universum
zich gaat schikking richting éénwording. Die Heilige Geest, echter, kan enkel over ons komen indien
we de relatie tussen paradox I en paradox II begrijpen: onbepaaldheid.
Gemakkelijk wordt dit hoofdstuk niet. Maar een begrip van de Logos is essentieel om daarna het
bijhorende politieke systeem te kunnen afleiden: een triarchie van machten, dit keer evenwel niet
gericht op de mens als doel op zich, maar gericht op het dichter brengen van de mens tot God.
38
Onzekerheid
Wanneer we ter wereld komen is de realiteit voor ons één sensoriële chaos. We hebben nog geen
ervaring, en we weten dus niet wat de regelmaat der dingen is. Pas na verloop van tijd bemerken we
dat bepaalde gebeurtenissen repetitief zijn, en aangezien dat structuur geeft, richten we ons denken
volgens die structuur in. Onze moeder komt ons om de zoveel tijd eten geven, en als we schreeuwen
krijgen we blijkbaar aandacht. In onze geest gaan een aantal correlaties zich nestelen als waren het
causaliteiten. Tot ze op een dag niet meer causaal blijken te zijn: schreien bij het minste wordt door
de ouders plots ontmoedigd; we krijgen niet zomaar meer wat we willen. Het kind heroriënteert zich,
maar zoekt telkens structuur in de dingen.
In het vorig hoofdstuk, echter, is al aangetoond dat we sinds Hume geen enkele reden meer hebben
om aan te nemen dat ook maar iets regelmatig is. Een correlatie is een correlatie tot die dat niet meer
is. Vooral wanneer we iets ernstigs meemaken in ons voor de rest zeer gestructureerde leven beginnen
we na te denken over het idee van regelmaat: tot nog toe leek er logica in te zitten, maar al gauw blijkt
dat dat slechts een veronderstelling was. Hoe anders kun je het onverwachte verlies van een dierbare
uitleggen? Had die persoon iets misdaan? Is er een reden voor zijn of haar sterven? Pas wanneer we
met de fundamentele contingentie van ons bestaan worden geconfronteerd maakt zich een soort angst
van ons meester: wat als helemaal niets regelmatig is, en dat slechts een indruk is?
Er valt zeker iets voor te zeggen. Het is bijvoorbeeld niet omdat in een sequens van willekeurige
nummers plots een reeks te ontwaren valt waar regelmaat in zit – bvb 3630491010101012930483 –
dat de ontwaarde regelmaat – in dit geval 101010101 – ook daadwerkelijk het gevolg is van een
regelmaat die metafysische wetmatig is. Even goed is de sequens die wij als regelmatig ervaren er
louter door toeval gekomen. Zelfs een sequens van nummers waarin het grootste deel van die
nummers voor ons (epistemologische) regelmaat vertonen kan nog steeds plat toeval zijn – er staat
geen limiet op wat “toevallig” mogelijk is.
De mooiste illustratie hiervan in recente tijden is de kritiek die klanten van het softwarebedrijf Apple
hadden op één van de eerste versies van hun draagbare muziekspeler IPod. Die muziekspeler had een
zogenaamde shuffle-functie, die erop neerkomt dat het toestel de liedjes willekeurig laat afspelen.
Maar de klanten klaagden dat die functie niet werkte: dezelfde liedjes werden teveel herhaald. De
reactie van de toenmalige topman van Apple, Steve Jobs, was dat hij aan zijn ingenieurs de opdracht
zou geven om de willekeurigheid waarmee de liedjes zouden worden afgespeeld beter te
programmeren. Met andere woorden: laat je de willekeurigheid aan zichzelf over, dan bekom je niet
noodzakelijk méér willekeurige resultaten.
39
Een illustratie van het feit dat de mens het grootste probleem heeft om willekeurigheid zelfs nog maar
te begrijpen, kan gevonden worden in de klacht die de technologiebedrijf Apple van zijn gebruikers
heeft ontvangen, kort na de lancering van hun draagbare mediaspeler IPod. Er werd beweerd dat de
shuffle-functie – dat is de functie die opzettelijk elke keer een ander liedje laat spelen – niet werkte
omdat het vaak gebeurde dat liedjes twee keer herhaald werden. Echter, als de resultaten echt
willekeurig zijn, dan ligt zelfs een reeks van honderd herhalingen van hetzelfde liedje helemaal
binnen de mogelijkheden.
Als gevolg daarvan heeft Apple zijn ingenieurs opdracht gegeven om willekeurigheid beter te
programmeren. Meneer Jobs, de CEO van het bedrijf op dat moment werd geciteerd als zeggende:
“we maken het minder willekeurig om het willekeuriger te doen aanvoelen”. Vanuit filosofisch
oogpunt is deze uitspraak echter helemaal zinloos. Aangezien er helemaal geen standaard is waaraan
willekeurigheid kan worden afgemeten – dat, namelijk, is de essentie van willekeurigheid – is elke
suggestie dat een algoritme op een niet-deterministische manier kan verbeterd worden
noodzakelijkerwijs gebrekkig. Het is deze relatie – die tussen de contingentie van determinatie en de
noodzakelijkheid van onzekerheid – die mensen doet flippen: de geest kan dat niet aan.
De Vader
Het probleem ligt heel diep: als onzekerheid inderdaad radicaal is, dan is het evengoed mogelijk dat
onzekerheid helemaal niet bestaat. Het is namelijk gemakkelijk om te gaan beweren dat alles onzeker
is, maar trek dat eens door tot die uitspraak zelf? Beland je dan niet in contradictie? Het antwoord is
nee. Waar je in belandt is een schijnbare contradictie of paradox. We zijn namelijk zo onzeker dat
we niet eens zeker zijn of onzekerheid wel bestaat. Voor hetzelfde geld is er helemaal niets onzeker,
maar hebben we simpelweg nog niet genoeg data om de ware patronen achter de ogenschijnlijk
chaotische realiteit te kunnen ontdekken. Maar dat weten we dus niet. En dus is de paradox geen
contradictie: de waarheid die wordt geponeerd is zelfs toepasbaar op zichzelf.
We kunnen ons de vraag stellen wat ervoor zou nodig zijn om finaal te kunnen uitmaken of totale
onzekerheid inderdaad bestaat, en het antwoord daarop is vrij eenvoudig te geven: we zouden in feite
over alle data in het universum moeten kunnen beschikken en daar dan een analyse op uitvoeren.
Blijkt dat er een patroon in zit, dan zouden we kunnen besluiten dat er helemaal geen willekeur was,
en wij inderdaad gewoon nog niet genoeg wisten om een geldig besluit te kunnen trekken. Blijkt
echter dat er helemaal geen enkel patroon in zit, dan zouden we valide kunnen besluiten dat het
universum inderdaad chaotisch is.
40
Maar het probleem met die redenering is dat de voorwaarden niet aanwezig zijn om tot zo’n analyse
over te gaan: het heelal is oneindig. Je kunt dus nooit een finale set aan data verzamelen op basis
waarvan je zou kunnen besluiten dat het universum regelmaat vertoont. We kunnen ons perfect
indenken, bijvoorbeeld, dat we alle hemellichamen tot aan de rand van het zichtbare universum
hebben geïndexeerd, en dan we dan besluiten kunnen trekken over of regelmaat al dan niet te
ontwaren is. Maar wie kan garanderen dat in de ruimte die na de laatst zichtbare planeet niet ergens
héél ver weg nog een planeet of zelfs een heel melkwegstelsel ligt te zweven?
Met andere woorden: het valt nooit uit te sluiten dat we nog niet alle data hebben, en zodoende kan
ook nooit bepaald worden of regelmaat al dan niet bestaat. Mocht het heelal eindig zijn, dan kan dat
wel. Dan zou je over alle data beschikken en kun je die afleiding maken. Maar het hele punt is dat het
heelal net niet eindig is, maar oneindig. En in die oneindigheid is het steeds mogelijk dat zich iets
bevindt wat ons beeld over regelmaat verstoort. We mogen dus met vrij grote stelligheid aannemen
dat de paradox van radicale onzekerheid waar is. De enige manier om die te ontkennen, is nihilistisch
te zijn: te stellen dat het heelal ergens stopt, en dus grenst aan … het Niets.
Het moment waarop men zich realiseert dat onzekerheid radicaal is, werd door mystieke denkers vaak
aangeduid als een “tremendum et fascinans”: het doet je beven van angst (ik ben van geen moment
zeker), maar het fascineert je ook (zou er toch een wetmatigheid in zitten?). Het is de
spreekwoordelijke Vader van alle wijsheid: wanneer je hebt kunnen aanvaarden dat niets zeker is, ga
je geen domme theorie meer verkopen, maar ga je je in alle nederigheid afvragen wat je daarmee nu
moet aanvangen. Je gaat je psychologisch schikken naar deze symbolische Vader, die eigenlijk een
mysterie op zich is. In deze beginfase is er nog veel verwarring, maar één ding ben je wel al zeker:
theorieën die te zeker zijn, zijn niet meer te vertrouwen.
De Zoon
De psychologische gevolgen van het aanvaarden van de Vader blijven niet uit. Je begint te beseffen
dat indien de werkelijkheid inderdaad radicaal onzeker is, onze conceptie van die werkelijkheid dus
ook nooit exact kan zijn. Meteen verwerp je het idee dat er een scheiding zou bestaan tussen de
“exacte” wetenschappen die dan de natuur zouden bestuderen, en de “sociale” wetenschappen, die
dan de mens zouden bestuderen. Alsof de mens geen deel uitmaakt van de natuur. En alsof er ook
maar één natuurwetenschap is die geen invloed ondervindt van het “inexacte” handelen van de mens.
Je begint te beseffen, met andere woorden, dat geen enkele logische theorie de waarheid volledig kan
omschrijven, omdat we niet eens weten wat de volledige waarheid is.
41
Dat tweede fundamentele inzicht kunnen we de Zoon noemen. Het verschilt van de Vader in die zin
dat het zich richt op ons menselijk kenvermogen, eerder dan op de aard van de realiteit zelf. Het is
een epistemologisch inzicht, eerder dan een metafysisch. Respecteren we de Vader, dan volgt daar
automatisch uit dat we onze theorieën gaan zien als benaderingen, en niet als de finale waarheid zelf.
Je mag nog zo’n mooie theorie uitwerken, steeds bestaat de mogelijkheid dat een aspect waar jij niet
op had gelet uw theorie teniet doet. Of zoals historicus Marc Bloch het zei: “Les méchants faits
détruisent les belles théories”. Geen enkele hoeveelheid feiten kan een theorie legitimeren, maar één
feit dat niet verklaard kan worden door de theorie, kan ze wel vernietigen.
De hedendaagse filosoof die de Zoon nog het best van al begrepen heeft, is Karl Popper. Hij toonde
aan hoe wetenschap in feite een serie van “conjectures and refutations” is, een opeenvolging van
hypotheses en verwerpingen van die hypotheses op specifieke punten, met als voordelig resultaat dat
onze kennis zich uitbreidt: we weten nu zeker wat niet waar kan zijn. Wetenschap dus, als een negatief
proces van eliminatie, eerder dan een positief proces van confirmatie. Popper noemde dat elimineren
van valse hypotheses falsificatie. Maar in wezen komt het neer op de filosofische bezigheid bij uitstek:
datgene uitsluiten waarvan we zeker kunnen zijn dat het niet waar is.
Zoon worden van de Vader – aanvaarden dat geen enkele theorie finaal uitsluitsel kan bieden – is
géén gemakkelijke opdracht, en al zeker niet voor moderne geesten. De Vader aanvaarden impliceert
ook de aanvaarding dat onze huidige stand van onze kennis niet meer dan de status van een hypothese
heeft, en noodzakelijk ook altijd een hypothese zal blijven. In feite wordt de onzekerheid dus eigenlijk
niet weggenomen. Een gevoel van nutteloosheid kan zich van de mens meester maken, want hij is
niet eens zeker dat het elimineren van contradictie hem dichter bij de waarheid brengt.
Dat is dan meteen ook het paradoxale aspect van dit tweede inzicht: dat indien alles een hypothese is,
de theorie dat alles een hypothese is, dat in wezen zelf ook is. We kunnen dus niet uitsluiten dat die
theorie volledig fout is. Of, met andere woorden: de realiteit is niet enkel radicaal onzeker, we zijn
ook nog eens radicaal onwetend over gelijk wat we bedenken om die onzekerheid enigszins vorm te
geven en dus te beperken. Het is mogelijk dat morgen een aspect van de realiteit naar voren komt dat
ons wereldbeeld volledig op zijn kop zet. Socrates vatte deze paradox nog het beste samen met de
woorden: “Ik weet dat ik niets weet”.
42
De fout van God
De volgende vraag die we ons kunnen stellen, is wat de relatie is tussen de Vader en de Zoon, tussen
de paradox van radicale onzekerheid en de paradox van totale onwetendheid. Het antwoord is even
verrassend als eenvoudig: noodzakelijke onbepaaldheid. Dat is de derde paradox, die we zouden
kunnen gelijk stellen met de Heilige Geest, maar de uitleg daarover is lang niet zo simpel als de uitleg
over de Vader of de Zoon. Voor de Heilige Geest actief kan worden, namelijk, moet niet enkel de
Vader passief aanvaard worden, maar moet er ook nog eens actief geloofd worden in God. En dat
laatste, actief geloven, is nog een stuk moeilijker dan gewoon iets aanvaarden.
Laat me steeds herhalen, altijd en overal, dat ik God als een exact synoniem van oneindigheid
beschouw, en God in mijn filosofie dus onmogelijk hetzelfde kan zijn als de Vader. Ook in de
Katholieke theologie is dat niet zo: God is de essentie, en de Vader, de Zoon en de Heilige Geest zin
de drie verschijningen van die essentie, die voor het gemak personen worden genoemd. Wat evenwel
ontbreekt in diezelfde Katholieke theologie – of tenminste, ik vond er niets over terug – is een deftige
uitleg over het verschil tussen de twee. Mijn verklaring is simpel: God was één en oneindig, en maakte
toen de fout te willen worden, waardoor hij Vader werd van de schepping.
De Zoon, dan, is het eerste deel van de schepping dat begrijpt hoe die Vader effectief Vader is
geworden. Ik beschouw Jezus, de Christus uit Nazareth, zodoende niet als de enige Zoon van de
Vader, maar simpelweg als de eerste. Hij was volgens mij de eerste die snapte dat er kosmisch iets
serieus misgelopen moet zijn. Zijn hele leer, in mijn ogen, gaat over het vergeven van imperfectie, te
beginnen met de historische imperfectie van God. De weg daartoe is het aanvaarden van de Vader,
waardoor je zelf een Zoon wordt, en je dus ook uitzicht krijgt op de noodzaak om in God te geloven.
Dingen hebben een bepaalde volgorde, en dat niemand tot de Vader (het eerste inzicht) kon komen
dan door hem, was dan ook volledig juist.
Ik weet dat ik mij hiermee vér buiten datgene waag wat algemeen aanvaard is. Voor sommige mensen
is het idee dat God imperfectie vertoonde al blasfemie op zich. Maar ik meen, in alle ernst, dat enkel
een herziening van het kosmische verhaal voldoende sterk is om een mentaliteitswijziging bij de
mensen aan te brengen. Het idee dat God het universum creëerde uit liefde, namelijk, barst van de
contradicties. En het zijn die contradicties waar de duivel zich aan laaft om zijn eigen psychopathische
realiteit in het debat te injecteren. Dus ik geef het al maar meteen toe: ja, ik geloof niet enkel in God,
maar ook in de duivel. En nee, dat is niet een wezen met hoorns, een staart en bokkenpoten. Het is
het tegendeel van de Heilige Geest.
43
Ik kom hier later op terug. Van belang is nu te beseffen dat God één en oneindig is, maar dat in feite
enkel een voor-onderstelling is, een hypo-stase. Die toestand, immers, van oneindige éénheid en dus
perfectie, bestaat nu niet meer. Doordat God zo nodig moest worden, viel hij in stukken en brokken
vaneen, iets wat wij de schepping noemen. Daarbij werd hij dus Vader, niet enkel van de schepping,
maar ook van iets wat we de anti-schepping zouden kunnen noemen, en wat nog het best van al
vergelijkbaar is met vermoeidheid. Telkens we iets scheppen, namelijk, ontstaan twee zaken: de
zichtbare materie, en een onzichtbare negatieve energie, die ook op zoek is naar eenheid.
De kosmische tragedie waar wij getuige van zijn is met andere woorden een familiedrama: de Vader
wordt geprezen om al het mooie van de schepping, en al het slechte wordt toegewezen aan een entiteit
die er zogezegd enkel op uit is om al dat moois te vernietigen. Die entiteit wordt de duivel genoemd,
en wordt beladen met alle zonden van Egypte. Ondertussen wordt niet erkend dat zélfs God niet algoed is, maar ook een fout heeft gemaakt. Dat sterkt de duivel in zijn overtuiging dat hij nooit
rechtvaardig behandeld zal worden, wat voor hem voldoende legitimering is voor al het kwade dat
hij doet. Het is in het oplossen van dit kosmisch conflict dat wereldvrede besloten ligt.
De Heilige Geest
We kunnen hier op dit moment echter niet blijven bij stilstaan. Onze focus moet de Heilige
Drievuldigheid zijn, en de logica die voortvloeit uit het geloven daarin. Eén paradox hebben we
immers nog niet besproken, en dat is de paradox van noodzakelijke onbepaaldheid. Wie na probeert
te gaan of radicale onzekerheid eerst was, namelijk, dan wel of dat totale onwetendheid was, die stoot
al gauw op een kip-of-het-ei-situatie, en met name omdat het innemen van de ene stelling automatisch
altijd terugleidt naar de noodzaak de andere stelling in de bewijsvoering te betrekken. Beiden
veronderstellen met andere woorden elkaar.
Ga het maar na. Wie wil bewijzen dat radicale onzekerheid de meer fundamentele paradox is, waar
dan totale onwetendheid de afgeleide van zou zijn, die komt voor de moeilijkheid te staan dat zo’n
stelling effectief bewezen moet worden. En probeer je dat, dan ben je er meteen aan voor de moeite,
want je kan op geen enkele manier sluitende criteria voor bewijs formuleren. Je stoot met andere
woorden meteen op de tweede paradox. De zaak omdraaien en stellen dat de tweede paradox eigenlijk
de meest fundamentele is, brengt al evenmin soelaas, want dan uit je een zekerheid die op geen enkele
manier te verantwoorden is. Er is geen logische reden aan te wijzen waarom radicale onzekerheid een
gevolg zou zijn van totale onwetendheid.
De relatie tussen iets wat radicaal onzeker is, en iets dat die radicale onzekerheid wil bevatten, maar
dus zelf totaal onwetend is over de manier waarop dat moet gebeuren is met andere woorden niet
44
simpelweg onbepaald, maar ook nog eens noodzakelijk onbepaald: er is noodzakelijkerwijze geen
enkele manier waarop deze relatie kan worden gedetermineerd. Of nog: deze relatie is vrij. Het
volstaat niet om simpelweg de twee paradoxen voorgaande paradoxen te begrijpen. Men moet ook
nog eens begrijpen dat beide een paradoxale relatie met elkaar hebben, en dat die relatie bovendien
ook nog eens volledig op zichzelf staat: de derde paradox wordt door geen van beide paradoxen
bepaald. Het lijkt wel iets dat leeft op zich. En dat is ook zo.
Valt het te verwonderen dat theologen deze zeer complexe materie in didactische personaliteiten
hebben gegoten, in het geval van de Heilige Geest zelfs gesymboliseerd door een dier? De Vader en
de Zoon, dat is nog vrij eenvoudig te begrijpen, maar datgene wat hen verbindt, dat kan enkel een
geest zijn, een verstandhouding, een overeengekomen visie op de zaken, iets met twee vleugels.
Symbolisch is dit steeds verbeeld als de vredesduif, of in sommige gevallen als de moeder die dan
geacht wordt sommige conflicten tussen Vader en Zoon met de mantel der liefde te bedekken. Alleen
is dat laatste wat met het haar erbij gesleurd, aangezien een conflict pas opgelost geraakt als beiden
de gezamenlijke waarheid erkennen die waar zij tijdelijk in vergeten waren te geloven: God.
Mocht u nog niet meteen mee zijn, vrees dan niet. Van alle paradoxen is de derde namelijk de meest
ondoorgrondelijke: pas wanneer men door heeft dat niet enkel Paradox I impliciet oneindigheid aan
zijn basis liggen heeft, omwille van het feit dat regelmatigheid slechts in eindige sets vast te stellen
valt, noch enkel Paradox II, omwille van het feit dat er potentieel een oneindig aantal factoren kunnen
zijn die een theorie weer leggen, maar zélfs Paradox III, omwille van het feit dat beide voorgaande
paradoxen oneindig naar elkaar verwijzen, pas dan snapt men dat het finaal aankomt op geloven in
het bestaan van die oneindigheid zelf.
Geloven in oneindigheid is echter veel moeilijker dan u op het eerste zicht zou denken. U heeft er
misschien nog niet bij stil gestaan, maar wat van u gevraagd wordt, is te geloven in iets dat geen
grenzen heeft. Hoe doe je dat? Mocht ik gevraagd worden om te geloven in het bestaan van
marsmannetjes, dan kan ik mij tenminste voorstellen waar ik al of niet in wil geloven. Maar
oneindigheid? Dat kunnen wij ons zelfs niet voorstellen. En dus is de vraag om in iets te geloven wat
niet eens begrijpelijk is zowat het meest irrationele wat iemand van ons kan vragen. De enige manier
om ons daar toch toe te motiveren, is te kijken wat er gebeurt wanneer we dat niet doen.
45
Bestaan en zijn
Iedere denker met enige ervaring zal u vertellen dat geloven dat een stelling waar is omdat de
gevolgen ervan aangenaam zijn één van de meest basale denkfouten is die je kunt maken. En toch is
dat precies wat we moeten doen, willen we komen tot een speculatieve metafysica waarvan de
afleidingen zin kunnen geven aan onze observaties. Wie niet gelooft in oneindigheid, namelijk, die
gelooft in eindigheid. En wie gelooft in eindigheid, die zegt dat het bestaan op een gegeven moment
stopt. Voorbij die grens is er volgens die denktrant enkel niet-bestaan. Dat niet-bestaan, echter, heeft
wel degelijk een grens met het bestaan. Hoe kan het dan eigenlijk écht niet-bestaan zijn? We worden
met andere woorden gedwongen tot het definiëren van wat we onder bestaan verstaan.
In mijn filosofie betekent bestaan simpelweg plaats innemen. Als ik naar een concert ga en voor het
podium sta, dan be-sta ik een plaats die niemand anders kan innemen. Bestaan is dus een woord dat
we voor materie gebruiken. Maar wat met de ruimte tussen mij en de persoon die op een halve meter
van mij een andere plaats op dat concert be-staat? Bestaat die ook? Die vraag beantwoorden is niet
gemakkelijk. Het hangt er nog maar van af hoe je dat bekijkt. Je zou kunnen zeggen dat de ruimte
waarin objecten be-staan zelf eigenlijk niet bestaat, maar het opvulsel is rondom alles wat wel degelijk
materieel be-staat. En toch. Beweren dat ruimte niet bestaat voelt aan als zeggen dat ruimte niets is.
Het is mijn overtuiging dat om die reden in zowat alle talen een term wordt gebruikt die klinkt als
“bestaan” en er als woord ook op lijkt, maar het eigenlijk niet is. De benaming waar ik het over heb
is “zijn” en in elke natuurlijke taal die mij bekend bestaat het onderscheid tussen “ser” y “estar”
(Spaans), “Sein” und “Existieren” (Duits), “être” et “exister” (Frans), “yra” ir “esamų”(Litouws) of
simpelweg “being” and “existing” in het Engels. Bestaan, dat is plaats innemen. Zijn, dat is groter.
Dat niet enkel alles wat bestaat bevatten, maar ook nog eens de ruimte waarin al het bestaande dan
rondzweeft. Je zou “bestaan” als de materiële emanatie van Zijn kunnen beschouwen. Alles is, en
sommige dingen bestaan. In ieder geval is Zijn groter dan bestaan. Het is in wezen alles.
Opnieuw zijn we hiermee op een synoniem van God gestoten. Als je immers nadenkt over het feit dat
Zijn niet enkel bestaan bevat maar ook alle ruimte waarin materiële dingen dan bestaan, dan besef je
dat Zijn eigenlijk geen grenzen heeft. Voorbij de laatste planeet, namelijk, is er wel degelijk nog iets:
ruimte. Die ruimte bestaat dan wel niet, maar ze is. En net zoals een wolk zich uit het schijnbare niets
tevoorschijn kan toveren kunnen we evenmin uitsluiten dat zich uit een verdichting van trillingen in
die ruimte – die we door ons beperkte waarnemingsspectrum tot dan toe niet konden zien – materie
ontstaat. Ruimte is dus niet leeg, maar vol van trilling. En wat wij als materie ervaren hangt simpelweg
af van de dichtheid die die trilling heeft.
46
Kan ik dit bewijzen? Absoluut niet. Het is een speculatie, en de enige reden waarom ze wat krediet
verdient, is omdat ze meer observaties kan verklaren dan andere speculaties, en dit bovendien met
minder contradicties. Het Casimir-effect, bijvoorbeeld – het feit dat er tussen twee parallelle plaatjes
die héél dicht tegen elkaar geplaatst worden blijkbaar toch een kleine aantrekkende kracht bestaat,
zelfs al hebben de plaatjes geen elektrische lading – kan niet verklaard worden als we niet
veronderstellen dat ruimte bestaat uit bewegende vibraties van verschillende intensiteit die
materialiseren in een zichtbare elektrische kracht wanneer materiële objecten hen tot een hogere
densiteit dwingen.
Zullen wij ooit kunnen bewijzen dat deze metafysische speculatie waar is? Neen. Maar het verklaart
wel een pak observaties, en in die zin doet mijn theorie wat theorieën verondersteld worden te doen:
zaken verklaren. En toch is ze gebouwd op iets dat radicaal onkenbaar is: de veronderstelling dat
ruimte niet leeg is, maar op één of andere manier toch bestaat. Ik kan enkel geloven dat materie een
condensatie van energie of trilling is die toevallig binnen mijn spectrum van waarneming valt. Ik kan
enkel geloven dat wat buiten de limieten van mijn waarneming valt op één of andere manier toch “is”,
zelfs al bestaat het niet, of althans niet voor mij. Ik kan enkel geloven dat ruimte en vorm
respectievelijk synoniemen zijn van energie en materie. Ik kan met andere woorden enkel geloven.
De super-paradox
Laten we nu terugkeren naar onze triniteit van paradoxen. Wat fascinerend is aan dat geheel, is dat
elke paradox volledig op zichzelf staat en aan de grondslag toch verbonden is door één en dezelfde
realiteit: oneindigheid. Totale onwetendheid kan niet afgeleid worden uit radicale onzekerheid, noch
vice versa, en noodzakelijke onbepaaldheid is zo ongelofelijk onbepaald dat het niet kan vast gesteld
worden welke van de twee andere paradoxen de derde bepaalt. Maar alle paradoxen hebben wel
degelijk oneindigheid aan hun basis: onzekerheid is enkel radicaal omdat het bestaan oneindig is,
onwetendheid is enkel totaal omdat er een potentieel oneindig aantal falsificerende feiten voor
theorieën bestaan en onbepaaldheid is enkel noodzakelijk omdat determinatie geen finaliteit heeft.
Echter: wil deze triniteit van paradoxen werken, dan is er wel één voorwaarde: dat we effectief
geloven dat oneindigheid bestaat. Mochten we volhouden dat het bestaan eindig is, dan kunnen we
niet langer beweren dat onzekerheid zo onzeker is dat we zelfs niet weten of onzekerheid bestaat.
Bijgevolg zou ook onze tweede paradox – het feit dat we weten dat we niets weten – in het water
vallen. En de derde paradox – de relatie tussen radicale onzekerheid en totale onwetendheid – zou al
helemaal ons denken niet meer inspireren. We zouden met andere woorden vervallen in de moderne
mind-set, die er prat op gaat alles te kunnen verklaren en zelfs oneindigheid wiskundig gereduceerd
heeft tot het rekenen met limieten. Alles zou verklaarbaar zijn, niets zou nog zin hebben.
47
Het is dus het geloof in het bestaan van oneindigheid die maakt dat we met realiteitszin in het leven
kunnen staan. Maar nemen we het voorgaande onderscheid tussen “bestaan” en “zijn” er even bij,
dan wordt meteen duidelijk dat de vereiste om te geloven in het bestaan van oneindigheid nog maar
eens een paradox oplevert: als Zijn een synoniem is van oneindigheid, en bestaan neerkomt op het
innemen van ruimte, het hebben van grenzen, dan komt geloven dat Zijn bestaat neer op geloven dat
oneindigheid eindig is. Waar je dus op uitkomt, na deze lange zoektocht door het woud van
paradoxen, is een super-paradox. Iets meer tegenstrijdig dan geloven dat oneindigheid eindig is, en
dat Zijn dus bestaat valt niet te bedenken.
En toch moeten we hierin geloven, willen we zinvol in het leven staan. Het alternatief is te beweren
dat onzekerheid helemaal niet radicaal is, onze theorieën omnipotent zijn, en finaal alles toch
gedetermineerd is. Dat is een optie die men kan nemen – en het was een populaire optie tijdens de
positivistische hoogdagen van de moderniteit – maar het lost tegelijkertijd ook geen enkele
levensvraag op: als oneindigheid niet bestaat, komt de hele schepping dan uit het letterlijke niets
tevoorschijn? En zo ja, wat is dan de zin ervan? Wat was de aanleiding voor de schepping? Niets? En
wat met het idee dat alles gedetermineerd is? Zijn wij dan willoze onderdelen van de schepping die
zonder enige telos hun leven uitleven en dan vergaan?
Op al deze vragen kan een simpele “ja” worden geformuleerd, en nergens zou daardoor contradictie
ontstaan. Het is een levensvisie die men perfect kan volgen. De vraag is alleen of zo’n visie de mens
ook nog motiveert om te leven. Wie zo’n wereldbeeld heeft, namelijk, die valt al gauw ten prooi aan
nihilisme en alles wat daarbij komt kijken. Puur logisch gesproken kan tegen deze visie niets
ingebracht worden. Als wij verondersteld worden te geloven dat oneindigheid eindig is, dan kunnen
we al helemaal niets inbrengen tegen het idee dat niets bestaat. Het is met andere woorden een
volstrekt consequentialistische keuze: we geloven in God omdat zonder de aanname van het bestaan
van God niets nog zin heeft.
Logici zullen met dit argument absoluut niet tevreden zijn. Het laat toe dat we in dingen geloven
omdat de gevolgen ervan positief zijn. Ik hoor hen al protesteren: “Mocht dat een algemene regel van
de logica zijn, dan schiet er van onze methode niet veel meer over.” Hoewel dat klopt, blijft het
Humeaans argument pal overeind staan: al uw logische betrachtingen zijn sowieso gebouwd op
assumpties over causaliteit die u niet kan bewijzen. In wezen zijn we dus volledig vrij om te geloven
wat we willen. En als we slechts in één schijnbare contradictie moeten geloven om onze hele realiteit
profijtig te structureren in termen van het elimineren van andere, lagere contradicties, dan is het nog
maar de vraag welke logicus daar niét mee akkoord zou gaan.
48
Dit is het inzicht dat we de Logos kunnen noemen: wanneer een eindig bewustzijn (1) gelooft in het
bestaan van oneindigheid (2), dan wordt tussen beide een radicaal verschil gecreëerd (3), waarop de
logica zich kan enten. Logica heeft dus geen enkele andere grond dan het geloof in oneindigheid.
Vanaf het moment dat men niet meer gelooft in oneindigheid, neemt men impliciet eindigheid en dus
het bestaan van niets aan, en dan vervalt alles in contradictie en dus chaos. Slaagt men er echter in,
om in de schijnbare contradictie te geloven dat God/oneindigheid/Zijn bestaat, dan ontstaat, in dat
precieze moment van geloof, de regelmaat die nodig is om van logica en causaliteit te kunnen spreken.
De mens is met andere woorden dé causaal agent in het universum.
De erfzonde
Opnieuw zal dit voor veel traditioneel gelovigen neerkomen op het verheerlijken van de mens, ten
nadele van God. Niets is echter minder waar. Het is precies wanneer de mens erkent dat zijn logische
bewustzijn noodzakelijk te klein is om oneindigheid te vatten dat de verhoudingen met God correct
kunnen worden ervaren. Het enige verschil met de traditionele Katholieke theologie is dat het begin
van causaliteit niet wordt gelegd bij God, maar bij ons geloof in God, wat niet hetzelfde is. Er is geen
enkele reden, namelijk, om aan te nemen dat zelfs historische evolutie causaal verlopen is. Ook dat
kan 100 % toeval zijn. Het is pas wanneer wij geloven in God dat de logica die daar het resultaat van
is ons in staat stelt om evolutie causaal uit te leggen.
Het mogen kleine nuances zijn, ze zijn van levensbelang. Vanaf het moment immers, dat we aan God
causaliteit toeschrijven, lijkt het alsof Hij een plan had met de schepping. Ik heb evenwel geen enkele
reden om dat aan te nemen. Mij lijkt de evolutie van de schepping en zelfs de mensheid volstrekt
willekeurig te zijn geweest tot de mens over voldoende grijze hersenmassa beschikte om zélf
causaliteit in de gebeurtenissen aan te brengen. Mij lijkt het veel plausibeler om te geloven dat God,
die dus één en oneindig was, om één of andere reden plots verdeeld is geraakt tegenover zichzelf, en
niet meer in staat was om die verdeeldheid te stoppen. Of zoals de Tao het zegt: “Eerst was er eenheid,
dan twee dingen, en dan duizend”.
Mijn beeld van God is dus in feite zeer menselijk: iedereen maakt fouten. Mijn beeld van de mens is
ten overstaan zeer goddelijk: wij zijn in staat om te beseffen wat de fout van God geweest is, die te
vergeven, en alles in het werk te stellen om de verloren gegane eenheid terug te brengen. In feite
erven wij zijn originele zonde – te willen worden, en dit uit lust – en is het aan ons om, hoewel er
niets is dat ons daartoe dwingt, toch voor het goede te kiezen, wat in de feiten steeds neerkomt op het
bevorderen van eenheid tussen alles wat leeft. In ieder geval is mijn beeld van God – dat inderdaad
ook slechts een reductie is, onvermijdelijk – er niet één van een omnipotente en omnisciente kracht.
Dat is Hij ooit geweest, maar dan slechts voor de zondeval.
49
Bij deze wil ik nogmaals wijzen op het verschil tussen God en de Vader. Tot vervelens toe wil ik
herhalen dat die niet hetzelfde zijn. God was ooit God: één en oneindig. Maar om één of andere reden
– wellicht gewoon uit verveling – wou God zichzelf ervaren, en werd ie dus Vader van de schepping.
De Vader, zodoende, dat is wat ontstond toen God zijn fout maakte. Eerst was de schepping zeer
eenvoudig, maar door de interne dynamiek die is losgekomen werd die steeds complexer en
complexer. Finaal was er één onderdeel van die schepping zo complex – de Zoon – dat dat onderdeel
in staat was om door te hebben wat was misgelopen. En het is het geloof van die zoon in God – niet
in de Vader – die de oorspronkelijke fout terug kan corrigeren.
Een synoniem voor geloven, namelijk is projecteren. Wanneer ik geloof in iemand, dan projecteer ik
op die persoon wat die persoon zou kunnen zijn, niet wat hij op dit moment is. Het is het plakken van
een potentie op een actualiteit, in de hoop dat die actualiteit inderdaad de potentie bevat die jij eraan
toeschrijft. Voor hetzelfde geld is dat namelijk niet zo, en heb je geloofd in iets wat achteraf fout
bleek te zijn. Geloven is een fundamenteel niet-weten, maar toch, puur op wilskracht, de projectie
uitvoeren die men gerealiseerd wil zien. Het is niet een passief aanvaarden van dogma’s, zoals dat in
het verleden maar al te vaak is uitgelegd. Geloof kan inderdaad bergen verzetten, als het maar
projecterend is. Als het in-jecterend is – indoctrinerend dus – beweegt het nog geen molshoop.
Conclusie
De modernistische arrogantie alles te kunnen verklaren is niet realistisch. Veel realistischer is het om
aan te nemen dat onzekerheid zo radicaal is dat we ze zelfs niet kunnen modelleren. Gaan we
vervolgens dieper in op de relatie tussen radicale onzekerheid en totale onwetendheid, dan vinden we
dat die relatie eigenlijk onbepaald en dus vrij is. Contempleren we vervolgens wat aan de grondslag
van deze drie paradoxen ligt, dan vinden we aan de basis een super-paradox, zonder dewelke géén
van onze realistisch geachte veronderstellingen over de werkelijkheid eigenlijk zou werken.
Die super-paradox komt neer op het bestaan van oneindigheid, iets wat logisch niet kan, maar
waarvan het geloof erin zoveel voordelen oplevert, dat het te verkiezen valt boven geloven in iets
anders, laat staan het omgekeerde. Slagen we erin om te geloven in het bestaan van oneindigheid,
bovendien, dan ontstaat, puur en alleen door dat geloof op zich, het meest radicale verschil in het
universum: dat tussen iets wat probeert te kennen en het radicaal onkenbare. Het is op dit radicaal
verschil dat de hele logica kan worden gemodelleerd. Sinds Hume weten we dat die geen enkele
aanwijsbare grond heeft. Welaan dan, laten we die dan zelf kiezen: het geloof in God.
Als uitsmijter nog dit: een paradox is géén contradictie, maar een schijnbare contradictie. Dat geldt
ook voor de super-paradox. Geloven dat Zijn bestaat lijkt contradictorisch, maar is het in wezen niet.
50
De enige reden waarom wij geloven dat dingen bestaan, namelijk, is omdat wij de beperktheid van
ons waarnemingsspectrum als referentie nemen. Wie het Zijn zelf als referentie neemt, die abstraheert
zijn eigen waarnemingsspectrum, en zodoende valt Zijn wel degelijk samen met bestaan. Het is met
andere woorden het geloof in Zijn zelf, die de mens doet inzien dat Zijn niet gewoon bestaat, maar
bovendien overal bestaat. En op dat geloof kun je kastelen bouwen.
51
Hoofdstuk IV: De triarchie
Abstract:
Het politiek model dat ik voorstel neemt als zijn ultieme focus de vraag hoe we de kosmische
fout kunnen herstellen die God aan het begin der tijden heeft gemaakt? Daartoe zijn drie
machten nodig: de materiële, de spirituele en de commerciële. Elk heeft zijn sterktes waarmee
het de twee andere machten kan controleren, elk heeft ook een zwakte waardoor het door de
twee andere machten gecontroleerd kan worden. Het geheel is gebaseerd op het geloof dat de
mens in deze kosmische eenwording een speciale rol te vervullen heeft.
Inleiding
In mijn systeem zijn de rechterlijke, uitvoerende en wettelijke macht samengebald in één figuur: die
van de Koning. Dat wil echter niet zeggen dat die Koning absolutistische macht heeft, want er zijn
nog twee machten die hem in zijn almacht beperken: de commerciële en de spirituele. Die twee
machten moeten niet uitgevonden worden, want ze bestaan vandaag ook. Het is precies doordat de
commerciële macht de spirituele macht heeft gecorrumpeerd, dat we vandaag opgescheept zitten met
de illusie van de Trias Politica: zolang wij denken dat dit de ware triarchie der machten is, kunnen zij
hun macht verbergen. Laat dat dan ook meteen de meest geslepen vorm van macht zijn: dissimulatie
– ontveinzen dat je macht hebt. Echte macht is cultureel.
De culturele macht waarover sprake bestaat er enerzijds in mensen spiritueel te laten geloven dat de
werkelijkheid maakbaar is, en anderzijds mensen commercieel te laten geloven dat je je geluk zelf
kan maken, als je maar hard genoeg werkt. Beide maakbaarheid en geluk, echter, zijn illusies. Wij
zijn in dit leven de erfgenamen van wat is misgelopen in een vorig leven. De kunst, zodoende, is niet
om genot na te streven, maar pijn te vermijden. Wat maakbaarheid betreft is alles al gemaakt toen
God (oneindigheid) uiteen viel in een oneindig aantal scheppingen, waarvan onze versie er één van
is. De kunst, zodoende, is niet om iets nieuws te willen bedenken, maar fouten in iets bestaands te
kunnen herkennen. Die re-cognitie triggert ware creativiteit: manifestatie.
Het is echter pas wanneer de huidige Trias Politica terug één wordt in de persoon van de Koning, en
de twee andere machten, die nu hun macht ontveinzen, terug ter verantwoording worden geroepen,
dat we een sociaal systeem hebben waarin de mensheid tot volle wasdom kan komen.
52
Indoctrinatie
Het idee dat de machten die vandaag de dag zogezegd gescheiden zijn in de Trias Politica in wezen
samen gebald zouden moeten worden, en dan nog eens in één persoon, jaagt ons cultureel de stuipen
op het lijf. Is het niet barbaars om voorstander te zijn van een systeem waarin één heerser tegelijk
wetgever is, rechter, en beul? Hoe valt dat te rijmen met de vrijheden die sinds de Franse Revolutie
zijn verworven? Gaan we nu zomaar meer dan 200 jaar “vooruitgang” in de vuilbak gooien? Het
antwoord is een volmondige ja, want wat vandaag vooruitgang genoemd wordt, is niets meer dan de
vooruitgang van de degradatie van onze Europese cultuur: de Franse Revolutie was het ergste wat
ons in de laatste duizend jaar is overkomen.
Niet dat er geen grond was om het Ancien Régime te veroordelen. Natuurlijk wel. Het koningschap
was absolutistisch geworden, wat betekent dat niet langer de wet regeert, maar louter een mens, en
de Koning dus zijn symbolische functie verloren is. Wanneer zoiets gebeurt, dan mag de bevolking
rechtmatig zo’n Koning verwerpen, en is het vervolgens aan de spirituele macht om er een nieuwe te
kiezen. Dat is echter niet wat gebeurd is in de Franse Revolutie: in plaats vanuit de resterende
aristocratie inderdaad een nieuwe Koning te kiezen, die zijn symbolische functie wel naar behoren
zou kunnen vervullen, is de hele aristocratie afgemaakt. In de plaats kwam een republiek, en dit onder
de leugenachtige leuze: “Liberté, fraternité, égalité”
Wat er echter nooit bij verteld wordt, is dat die leuze in feite uit vier delen bestond, niet drie: “Liberté,
fraternité, égalité … ou la mort”. Het is niet dat men een keuze had. In plaats van dus een slechte
Koning te verdrijven, en een nieuwe te installeren, bracht men de resterende transcendente elementen
in die maatschappij stelselmatig om: de spirituele macht werd opgesloten in kerken, die daarna in
brand werden gezet, de materiële macht werd onder de guillotine geschoven, die dag en nacht draaide.
Wat overschoot was een letterlijk onthoofde cultuur, die vanaf dan makkelijk te manipuleren was. De
republiek, die zogezegd in het algemeen belang – de res publica – werd opgericht – was een republiek
van bankiers: vanaf dan ontstond de “nationale” schuld.
Hetzelfde zie je in élke revolutie, ook de Amerikaanse. Daar was de leuze “join or die” en ook daar
ging het er hem in hoofdzaak over de natuurlijke aristocratie die in elke samenleving na enkele
generaties sowieso ontstaat, verdacht te maken en te verwerpen. Niet door betere leden van die
aristocratie, maar door verkozen vertegenwoordigers van het volk. Een absurd idee, als u het mij
vraagt, want indien de officiële theorie is dat het volk te onverantwoordelijk is om vrij gelaten te
worden – dat is: zonder het functioneren van een staat – hoe dan kun je datzelfde volk de macht geven
om haar vertegenwoordigers te kiezen? Dat is iets wat je inderdaad nooit mag toelaten, want dan krijg
je de koehandel die we vandaag zien.
53
Dat soort standpunten innemen, anno 2017, is genoeg om meteen als fascist gebrandmerkt te worden.
Maar merk op dat fascisme net het bundelen van de trias politica is in één persoon, zonder dat nog
twee andere machten die bundeling kunnen controleren. Hitler, bijvoorbeeld, die verenigde ook de
spirituele macht in zich, en wel door er een uitgebreide Noors-Germaanse metafysica op na te houden.
Ook de commerciële macht bond hij volledig aan zijn machtsstructuur, door de economie
corporatistisch te organiseren. Het beeld dat wij dus hebben van een Koning als zijnde een soort
fascistische dictator klopt dus voor geen meter: het verschil tussen (modern) fascisme en (klassiek)
koningschap is precies het democratische element.
Het systeem dat ik dus voorstel is helemaal niet fascistisch. In tegendeel. Het stelt voor om de ware
trias politica terug te installeren: de Koning als materiële macht (de bundeling van wat vandaag
verkocht wordt als de Trias Politica), de Kerk als spirituele macht (de macht om een Koning aan te
duiden) en het Kapitaal als commerciële macht (de macht om een Koning weg te stemmen). Ik geloof
dat deze combinatie van aristocratie, democratie en theocratie het universele politieke model is, dat
vroeg of laat in elke uithoek van de wereld zal zegevieren. Het enige wat nodig is om het te doen
werken is een diepe metafysische kennis over de aard van het Kwade, en een door de drie machten
gedeelde liefde voor God.
54
Macht versus autoriteit
De reden dat ik mijn model de triarchie genoemd heb is geen toeval. De drie onderdelen waaruit het
bestaat – aristocratie, democratie en theocratie – zijn alle drie negatieve bepalingen. De suffix die ze
delen komt voort van het Griekse Κράτος [Kratos] wat macht betekent. Maar macht is altijd negatief:
het produceert niks. Het is een straffend element, en kan op geen enkele manier inspireren. Dat zie je
bijvoorbeeld in slechte managementteams. In plaats van de leden van dat team te kunnen inspireren,
gebruikt de CEO technieken om zo’n team te conditioneren: haal je dit of dat doel, dan krijg je een
bonus. Haal je dat doel niet, dan volgt er een sanctie. Dit geeft de CEO macht over zijn medewerkers,
maar het inspireert hen niet.
Macht moet dan ook heel duidelijk onderscheiden worden van autoriteit. Ik definieer macht als het
vermogen om pijn te doen, en autoriteit als het vermogen om te inspireren. Macht is met andere
woorden wat je moet gebruiken als je je autoriteit al kwijt bent. Er moet zodoende zéér zuinig mee
worden omgesprongen, want gebruik je er teveel van, dan verliest degene die oorspronkelijk door de
omstandigheden gerechtigd was die te gebruiken, zelf ook weer autoriteit, en voor je het weet is heel
je sociale kapitaal naar de vaantjes. De triarchie is een politiek model dat volledig is gebouwd op de
wens macht te vermijden en autoriteit te verhogen. Elke macht beschikt over bronnen van macht,
maar het doel is om die NIET te moeten gebruiken.
Ik verklaar mij nader. Het meest evidente geval is dat waarin de materiële macht zijn boekje te buiten
gaat, en beslissingen neemt die niet in lijn staan met de drie triarchische principes (waarover later
meer). Op dat moment, en enkel doordat de materiële macht uit zijn rol getreden is, verkrijgt de
commerciële macht bij rechte macht over de materiële. Haar ultieme machtsbron, namelijk, is dat zij
in staat is om de Koning weg te stemmen. Wil de Koning dus Koning blijven, dan moet hij zich terug
in lijn stellen met de principes die hem in de eerste plaats al verkiesbaar maakten als Koning. Doet
hij dat halsstarrig niet, dan verklaart hij zijn eigen symbolische positie zo goed als verbeurd: één
welgemikt referendum en hij ligt buiten.
De commerciële macht, echter, kan ook zijn boekje te buiten gaan. Haar rol is negatief, niet
positivistisch. Zij mag een Koning wegstemmen op grond van het niet respecteren van één van de
drie principes, maar daar stopt haar functie dan ook. Het machtsvacuüm dat ontstaan is door het
vertrek van de Koning mag niet door haarzelf worden ingevuld. Dat is het privilege van de spirituele
macht, die een nieuwe koning zal selecteren, en dit opnieuw op basis van de principes waar ik later
over ga schrijven. Rondom de Koning, namelijk, zijn wel meer families die genoeg aristocratisch
vermogen in huis hebben om een nieuwe Koning te leveren. Maar het is niet aan de commerciële
macht om die te verkiezen, het is aan de spirituele macht om die uit te kiezen.
55
Het is dus van het grootste belang dat iedereen zijn rol kent, en dat begrepen wordt dat autoriteit
voortspruit uit niets anders dan het trouw vervullen van die rol. De spirituele macht, bijvoorbeeld,
kan volledig uit zijn rol vallen, wanneer zij een koning kiezen die het overduidelijk niet waard is om
koning te zijn. Maar doet zij dat, dan verliest zij elke autoriteit bij de bevolking. Die heeft via de
commerciële macht immers nog steeds het recht om die Koning weg te stemmen. Al zal de grote
vraag natuurlijk zijn of die corrupte spirituele macht daarna niet gewoonweg een nieuwe corrupte
Koning zal aanstellen. En de vraag die nog fundamenteler is: waarom liep het überhaupt in de eerste
plaats al mis? Om daar zicht op te krijgen moeten we de psyche wat van dichterbij bestuderen.
Psychologie
Het idee dat de macht van de Koning beperkt wordt doordat men die kan wegstemmen kan bij de
lezer al wat van de angst voor een fascistisch regime weggewerkt hebben. Maar het idee dat een
spirituele elite dan de volgende Koning aanduidt kan die initiële geruststelling misschien alweer teniet
gedaan hebben. Hoe zijn we immers zeker dat die elite zélf niet corrupt is. Het antwoord is: dat zijn
we niet. De gedachte dat een politiek systeem waterdicht kan zijn, is de essentie van utopie. Zo’n
systeem bestaat niet, heeft nooit bestaan, en zal nooit bestaan: finaal gaat het juridische over de manier
waarop imperfecte mensen met elkaar omgaan, en samen perfectie proberen te bereiken. Dat
impliceert evenwel dat die perfectie er nog niet is.
Dat is een belangrijke factor om mee rekening te houden, en zodoende is het niet overbodig om te
begrijpen waar corruptie vandaan komt. Die zit namelijk potentieel in elk van ons, en als we niet
doorhebben hoe het Kwade soms de bovenhand in ons krijgt is er ook geen enkele kans dat we de
corruptie van onze instellingen kunnen voorkomen. Dat is dan ook meteen de hoofdopdracht van de
spirituele macht: aan de bevolking het metafysische verhaal aanleren waarop het functioneren van
onze psyche is gebaseerd. De link tussen beide is niet toevallig: aangezien datgene wat onder onze
bewustzijnsgrens ligt oneindig is, en datgene wat voorbij onze waarnemingsgrens ook oneindig is,
zijn psychologie en metafysica één en hetzelfde onderwerp: Zijn en Zelf zijn één.
Om dat duidelijk te maken, heb ik onderstaand model van onze psyche ontwikkeld. Het is een model
dat ieder lid van de triarchie van buiten zou moeten kennen, en die door de spirituele macht via het
uitvoeren van symbolische rites ook cultureel verankerd zou moeten worden:
56
Wat u ziet is een model van de psyche met vijf lagen, waarvan twee volledig bewust, twee volledig
onbewust, en één die half-om-half verzonken is in onbewustzijn. Die laag is wat ongeïnformeerde
mensen het Kwade noemen, en weten wij niet hoe we daarmee moeten omgaan, dan gaat daar ook
effectief kwaadaardigheid in zitten. Het Kwade, namelijk, dat is het niet-erkende deel van ons Zelf
dat ten onrechte wordt weggeduwd als zijnde slecht. Het is echter niet slecht op zich. Dat wordt het
pas, als het wordt weggeduwd. En dat is dan weer de verantwoordelijkheid van het goede.
Zoals u kan zien is mijn model geïnspireerd op Jung, maar met dat verschil dat ik de onderdelen die
hij identificeerde in vijf lagen heb ondergebracht, iets wat Jung zelf niet deed. Voor hem was het Zelf
bijvoorbeeld één van de vele archetypen. Hij dacht dus over het Zelf als iets dat vorm heeft. Ik niet.
Ik denk dat het Zelf oneindig is, en dus nog maar eens een synoniem is van God. Als je goed nadenkt
over oneindigheid, namelijk, dan heb je vroeg of laat door dat die in alle richtingen doorloopt: niet
enkel voorbij het laatste hemellichaam (uiterlijk) maar ook voorbij het laatste atoom (innerlijk). Het
Zelf bevat dus alle archetypes, de schaduw, ons ego, en onze persona, net zoals de ruimte alle sterren,
planeten, manen en nevels bevat.
57
Niet toevallig is astrologie dan ook een primitieve vorm van psychologie, en gaat mythologie vaak
over planeet-goden die archetypische handelingen stellen, zoals verraad of zelfopoffering, of liefde,
of revolutie. Dat zit allemaal in ons, en komt eruit wanneer wij via ons archetypische handelen dingen
losmaken in de buitenwereld, die op hun beurt weer dingen losmaken in onze binnenwereld. Het is
dat proces van progressie en regressie dat we leven noemen, en het is pas voltooid als we doorheen
de vijf lagen van onze psyche zijn gegaan. Laat ons dus die vijf lagen één voor één bespreken. We
beginnen met de meest gekende laag: het ego.
De bewuste lagen: persona en ego
Ons ego, dat is het beeld dat we van ons Zelf hebben. Tegenwoordig worden allerlei kwalijke zaken
toegeschreven aan het ego, alsof het sowieso iets slechts zou zijn, maar dat klopt niet: zonder zelfbeeld
kun je niet leven. De ware vraag is of je ego aansluit op je Zelf, dan wel een alter ego is, een ego dat
wordt bepaald door wat andere mensen van je denken. In een vrije samenleving zijn kinderen vrij om
hun Zelf-beeld op te bouwen met informatie uit de binnenwereld: door te spelen ontdekken ze wie ze
vanbinnen zijn, en eens dat duidelijk is, is het voor anderen ook gemakkelijker om zich te verhouden
tegenover hen. In onze samenleving, echter, worden kinderen klaar gestoomd voor de slavenplantage:
de competenties die ze hebben om erin te overleven staan centraal.
58
Ons ego is echter niet de top-laag van onze psyche. Is ons ego ons Zelf-beeld, dan is de persona de
manier waarop wij ons Zelf presenteren aan anderen. Op het eerste zicht zou je denken dat daar geen
verschil tussen moet bestaan, maar zoals u zelf wellicht al heeft kunnen ervaren, gedraagt u zich
anders wanneer u op bezoek gaat bij uw ouders dan wanneer u op bezoek gaat bij uw vrienden. Elke
sociale relatie verloopt volgens bepaalde verwachtingen, die zich kristalliseren in rollen, en de
persona is het masker dat u opzet voor elke rol. Op zich is ook hier niets fout mee, zolang we maar
zo’n persona maar niet vastgroeit aan ons gezicht. Wanneer een ego geperverteerd is tot een alter ego,
bijvoorbeeld, is dat dikwijls het geval: dan wordt men het masker, en is men vanbinnen leeg.
De persona is de toplaag in onze psyche. Het is wat wij aan de buitenwereld willen laten zien. Het
ego ligt daaronder, en is hoe wij onszelf zien. De laag die daar nog eens onder ligt, heet de schaduw,
en dat komt omdat die half verzonken ligt in onbewustzijn. Van onze persona en ons ego zijn we ons
100 % bewust, van onze schaduw niet. Die komt tevoorschijn in situaties waarin we iets doen wat
doorgaans als negatief wordt beschouwd: we zijn agressief zonder het echt te beseffen, of
manipulatief, of leugenachtig, en iemand wijst ons daarop. Het is een vorm van gedrag dat we liever
niet toevoegen aan ons ego of Zelf-beeld, maar om één of andere reden toch in ons zit.
Wat is de functie van die schaduw, zal u denken? Wel, vrij eenvoudig: ons doen stilstaan bij de
dingen. Heel de tijd waren we aan het acteren via onze persona, wat een fase is die we progressie
kunnen noemen: gebaseerd op een bepaald Zelf-beeld gaan we de wereld in, en doen we wat bij ons
past. Tot het universum zich zo schikt dat we iets tegenkomen dat niet bij ons past. En dan weten we
niet hoe we daarop moeten reageren. Onze reactie is er één van angst, en dan komt de schaduw naar
boven: we doen iets waarvan we nooit hadden gedacht dat we het zouden doen. De sociale kritiek die
daarvan komt is vaak vernietigend voor het ego: dat zag zichzelf als integraal goed, en nu moet het
toegeven dat er misschien toch een donker kantje aan het Zelf zit dat daar niet bij past.
De schemerzone: de schaduw
Hebben we zo’n negatieve ervaring – bijvoorbeeld ontslagen worden wegens luiheid – dan zijn er
twee mogelijkheden: ofwel gaan we contempleren, ofwel gaan we compenseren. Het eerste is wat
sterke mensen doen: zij kijken de negativiteit recht in de ogen, analyseren die, en proberen uit te
zoeken waar die vandaan komt. Zoiets is niet gemakkelijk, aangezien de schaduw een emanatie is
van wat gebeurt in ons onbewustzijn, in de laag van de archetypes dus. In wezen kun je enkel in
mythologische verhalen de redenen vinden over het waarom en hoe van zulk gedrag. Wie een klap
op zijn kop krijgt van het leven, die kan dus het best van al wat cultuur opdoen: cultuur is het vat aan
ervaringen die alle voorgaande stervelingen al over de psyche hebben kunnen verzamelen.
59
Een zwakke mens, echter, die contempleert echter niks. Hij is te bang. Hij projecteert liever de fout
op externe omstandigheden, iets wat attributie heet. Zijn Zelf-beeld kan onmogelijk fout zijn, het zijn
simpelweg de anderen die hem niet begrijpen. Kostte wat het kost moet het ego in stand worden
gehouden, ook als dat betekent dat sommige relaties eraan moeten geloven. De rede, die op dat
moment niet meer doet wat ze moet doen – namelijk: contradicties elimineren – begint nu pervers te
redeneren. Het put zich uit in het vinden van rationalisaties – valse redenen – om het eigen ongelijk
toch maar niet te moeten toegeven. Het product van die redenering valt uiteen in twee categorieën
van compensatie: projectie en inflatie.
Projecties gaan altijd over datgene wat als teveel aanwezig wordt geacht in de eigen psyche, en wat
men dus letterlijk wil weg werpen (pro jectere). Het is de belerende vinger, het dwingend advies, de
goede raad waar niet om gevraagd is. Het is het veroordelen van een ander op basis van indelingen
die je zelf maakt, maar waar je je nog niet bewust van bent. Het is het beschuldigen zonder bewijs,
het verwijten aan een ander wat je zelf doet. “Jij bent gewoonweg jaloers!” is een uitspraak die vaak
wordt gedaan terwijl men met de vinger wijst. Men beseft niet dat op dat eigenste moment drie andere
vingers van diezelfde hand naar zichzelf wijzen: men is met andere woorden zélf jaloers, maar men
beseft het niet.
Inflatie gaat altijd over datgene wat als te weinig aanwezig word geacht in de eigen psyche, en wat
men dus valselijk begint toe te schrijven aan het ego. Een potentiële zakenpartner die constant het
belang van eerlijkheid benadrukt, bijvoorbeeld, is absoluut niet te vertrouwen. Mocht eerlijkheid een
evidentie voor hem zijn – mocht er genoeg integriteit aanwezig zijn in zijn psyche – dan zou hij daar
zelfs niet over spreken. Mensen vertellen met andere woorden alles over zichzelf door datgene wat
ze tekort komen op te blazen, groter voor te stellen dan het eigenlijk is. Luister dus naar elke zin die
het ego beschrijft, neem daar exact het omgekeerde van, en je weet zeer snel welk vlees je in de kuip
hebt.
De onbewuste lagen: archetypes en Zelf
De bewering dat de schaduw half verzonken zit in onbewustzijn is vanuit methodologisch oogpunt
vrij problematisch. De grote vraag, namelijk, is hoe wij dat überhaupt kunnen weten? Onbewustzijn
is onbewustzijn, toch? Dat is de vraag die mij leidde tot een aanpassing van het Jungiaanse model
van de psyche: het is enkel maar wanneer we het Zelf zien als oneindig, dat we de laag die tussen het
Zelf en de schaduw ligt, die zelf eindig is, kunnen determineren. Dat proces, dat niet eenvoudig is om
aan te leren, heb ik triangulatie gedoopt: je neemt de oneindigheid van het Zelf als startpunt van het
denken, en de gegevens die de schaduw levert als de negatieve expressies van het Zijn. Wat overschiet
is een half-open oneindigheid, beter gekend als de archetypes.
60
De archetypes zijn met andere woorden de spreekwoordelijke half-goden uit de mythologische
literatuur. Ze zijn goddelijk, in die zin dat ze over bovenmenselijke capaciteiten beschikken, maar
ook menselijk, in die zin dat ze fouten maken. Ze zijn dus half-oneindig, hoe raar dat ook moge
klinken. Het zijn in wezen verder geëvolueerde mensen die zo ver gevorderd zijn in hun ontwikkeling
richting hun eenwording met God dat ze door gewone stervelingen als goden worden aanzien. Maar
ze zijn nog niet waar ze moeten zijn. Ze blijven belaagd worden door het Kwade, en ook hun
persoonlijke integriteit kan nog een stuk beter. Het zijn de epische verhalen die bij ons een gevoelige
snaar raken, omdat we er ons op één of andere manier mee kunnen identificeren.
Dat laatste is geen toeval. Overal ter wereld, in elke cultuur, komen dezelfde types van goden voor,
zij het met plaatselijke variaties op het thema. Dat komt omdat die literaire expressies in wezen
projecties en inflaties van de schaduw zijn, die datgene wat dieper in onze psyche ligt naar buiten
brengt: de halfgod Hercules is supersterk, maar begaat ook dommigheden, zoals het vermoorden van
een prins wanneer daar absoluut geen reden toe is. De inflatie is het groter maken van de goede
kwaliteiten in de mens (kracht) en de projectie is het toeschrijven van kwaadaardigheid aan alles
behalve zichzelf. De reden dat die mix van goddelijkheid en menselijkheid zo herkenbaar voor ons
is, is omdat wij van tijd tot tijd zélf met dat soort half-goden worstelen: in onze dromen.
Ziekte
Dromen is één van de manieren waarop het Zelf ons probeert te vertellen wat het nodig heeft om weer
één te worden. Niet iedereen droomt. Wie acht slaat op de projecties en inflaties die de schaduw
aanricht bij dag, en zijn donkere kant opneemt als onderdeel van zijn ego, die zal bij nacht lang niet
zoveel dromen als wie weigert die contemplatie te voltrekken. Hoe meer de persoon in kwestie
overigens de signalen van zijn schaduw negeert, of zelfs zijn dromen, hoe levendiger die dromen
zullen worden, tot op het punt waarop ze zo echt lijken dat de patiënt zich begint af te vragen wat nu
de werkelijke realiteit eigenlijk is. Constant is het Zelf dus bezig met het bijsturen van het ego, zodat
de verdrukte archetypes tot uiting kunnen komen. Maar dat snapt het ego niet.
Het woord patiënt kies ik dus niet toevallig. Er zijn de dagdromen waar weinig kwaad in schuilt, maar
er is ook het piekeren over imaginaire scenario’s, de nachtmerries die kenmerkend zijn voor een
groeiende neurose, en zelfs hallucinaties bij dag die zeer schrikbarend zijn, omdat de psyche finaal
niets meer kan vertrouwen. Slaat de psychose over in de wens om alles wat het eigen beeld over de
werkelijkheid bedreigt uit de weg te ruimen, dan kan de patiënt zelfs psychopathisch worden: enkel
de perfecte verbeelding van hoe de wereld zou moeten zijn (maar niet is) telt dan nog, en alles wat
minder perfect is dan die geprojecteerde perfectie verdient het volgens die redenering letterlijk om
uit zijn lijden verlost te worden.
61
De bron van al deze geestesziektes is steeds dezelfde: cognitieve dissonantie. We voelen één ding, en
we doen een ander. Onze geest conceptualiseert enkel dat laatste, en indien men er niet in slaagt om
het gedrag in lijn te stellen met het gevoel, gaat een wig tussen beide ontstaan. Die wig is een leegte,
of preciezer geformuleerd: een plaats waar de densiteit aan trilling minder groot is. Komt een kracht
voorbij die zwelgt in de negativiteit – bijvoorbeeld een slechte vriend – dan wordt die wig alleen maar
groter, en wel door rationaliseringen te spuien die de wig voorstellen als normaal, en de integriteit
tussen voelen en denken daarentegen portretteren als abnormaal. Dat gebeurt vaak via een perverse
vorm van humor, die het kwade voorstelt alsof het eigenlijk niet bestaat.
Dé methode om psychologische ziekte tegen te gaan is eliminatie. Worden wij geconfronteerd met
een kant van ons Zelf die wij als negatief ervaren, dan moeten wij ons ook de vraag stellen hoe die
schaduwkant in de eerste plaats al in onze psyche is aanbeland. Dat is dus de contemplatie die de
meeste mensen niet eens aandurven, omdat ze bang zijn over wat ze daar gaan vinden. Of, preciezer
geformuleerd: het ego wil zichzelf als goed zien, en is bang dat het moeten aanvaarden van een
negatieve kant neer zou komen op de ultieme straf: identiteitsverlies. Er is echter geen enkele reden
om bang te zijn, en dit om twee redenen: (1) de finale verantwoordelijkheid ligt niet bij het ego, maar
bij het Zelf en (2) het negatieve accepteren blaast de identiteit niet op, maar doet ze groeien.
62
Het theodicee
De aandachtige lezer kan zich ondertussen misschien afvragen waar deze hele uitleg finaal toe leidt.
Gingen we niet het politiek systeem bespreken waarmee we kunnen komen tot een samenleving die
vrij en verantwoordelijk is? Wat heeft een bespreking van half-goden en cognitieve dissonantie daar
nog mee te maken? Het antwoord is eenvoudig: een samenleving kan niet vrij en verantwoordelijk
zijn als rechtvaardigheid niet glashelder wordt gedefinieerd. En dat concept, rechtvaardigheid, heeft
alles te maken met hoe wij God bejegenen. Zien we Hem als de al-goede Vader, en de duivel als de
inherent slechte kracht, dan kun je er donder op zeggen dat je samenleving hoogst onrechtvaardig zal
zijn. Er is namelijk maar één ding slechter dan het slechte: de hypocrisie van het goede.
Het hele punt draait om wat de katholieken het theodicee noemen: als God al-goed is, waarom is er
dan kwaad in de wereld? Als God de schepper is van alles, dan toch zeker ook van de duivel? Het
slappe antwoord dat daarop volgt is dat de duivel ooit een engel was die zelf God wou worden en
zich tegen Hem keerde. God, die niemand wou verplichten, heeft vervolgens de mensen vrije wil
gegeven. Als het Kwade dus zoveel macht heeft, dan is het omdat de mensen er zelf voor kiezen. Met
andere woorden: de verantwoordelijkheid voor de oorsprong van het kwade wordt volledig bij de
duivel zelf gelegd, en via het introduceren van de vrije wil is op de koop toe ook nog eens de mens
verantwoordelijk voor de strijd ertegen.
Ik geloof geen snars van dat verhaal. Het hangt met haken en ogen aaneen. Ten eerste: wat je graag
ziet, test je niet. Het idee dat God ons vrije wil heeft gegeven zodat we vrijwillig voor Hem kunnen
kiezen komt neer op zo’n test. Psychologisch komt dat niet overeen met het beeld van een liefdevolle,
belangeloze God, maar met dat van een wezen dat bevestiging zoekt. In feite is het ego: “Alsjeblief,
zie mij graag. Ik heb jullie nodig.” Het hele idee dat Hij afhankelijk is van de goedkeuring van een
deel van zijn schepping in combinatie met het idee dat Hij almachtig is, slaat als een tang op een
varken.
Ten tweede vraag ik mij af of het echt waar is dat de duivel zelf God wou worden? Dat kunnen we
niet uitsluiten natuurlijk, maar de duivel die motivatie toedichten verklaart evenwel nog niet waar die
kwaadaardige motivatie vandaan kwam. Het enige antwoord op die vraag kan enkel God zelf zijn: uit
hem komt alles. Zeggen dat een bepaalde engel plots het zot in zijn kop kreeg en God wou worden is
zeer goedkoop: het doet net alsof de essentie van alle engelen goddelijk is, behalve eentje. Welaan
dan: waar komt die ene niet-goddelijke engel dan vandaan? Uit niet-God? Uit het niets? We weten al
dat niets niet bestaat, dus dat kan zeker het antwoord niet zijn.
63
Vermoeidheid
Het theodicee is in mijn ogen veel eenvoudiger op te lossen: we nemen een dagelijkse observatie, en
we extrapoleren ze op kosmisch niveau. Als ik een stoel maak, bijvoorbeeld, dan maak ik niet één,
maar twee dingen. Ik maak de zichtbare, visuele stoel, maar ik maak mij daarnaast ook moe. Dat
laatste lijkt een trivialiteit, maar dat is het allerminst. Omdat vermoeidheid veel minder visueel is dan
de stoel denken we er niet over na als ware het een product van ons handelen. En toch is het dat,
evenzeer als onze schepping zelf. Voor elke creatieve act die we stellen, is er ook een destructieve
act in termen van persoonlijke energie.
Extrapoleren we dat nu op kosmisch niveau, dan kunnen we een idee beginnen te krijgen van hoe het
echt verlopen is met de duivel. Stel u namelijk eens voor wat voor een vermoeidheid er vrijkomt
wanneer niet één stoel, maar een hele schepping het licht ziet? En stel u bovendien eens voor dat de
Vader van die schepping jou, die vermoeidheid dus, niet als zijn zoon ziet, maar als een stuk afval,
een aspect van zijn handelen waar hij liever niet aan herinnerd wordt? Zou je daar niet vanzelf
opstandig van worden? Ik denk dat het zo gelopen is. Ik denk dat de duivel – die negatieve kracht –
een gevolg is van de fout van God. De duivel, met andere woorden, is wel degelijk Gods kind.
Ik geloof zodoende dat die negatieve kracht simpelweg erkenning wou van het feit dat ook die een
onderdeel van de schepping vormde. Een onzichtbaar onderdeel, dat wel, maar wel eentje waarzonder
het zichtbare deel niet eens had kunnen ontstaan. Toen bleek dat de Vader hovaardig was – hij was
immers God niet meer en dus niet perfect – en er dus geen compromis mogelijk was, is die negatieve
kracht zich inderdaad van de Vader gaan afkeren. Of de Vader de duivel nu buiten gesmeten heeft,
dan wel of ie zelf vertrokken is, is immaterieel. Het hele punt is dat die engel geen ongelijk had in
zijn eis, onrechtvaardig behandeld is geworden, en ten Kwade is gekeerd.
Uit ik hiermee sympathie voor de duivel? Ja, en nee. Ja, omdat ik kan begrijpen dat iemand die onheus
is behandeld inderdaad ten Kwade keert. Nee, omdat het loutere feit onheus behandeld te zijn
geworden, op zich geen legitimering vormt om dan zelf kwaad te doen. Het is niet omdat jou kwaad
is aangedaan dat je daarom het recht hebt om zelf kwaad aan te richten. Dat is wat Christus bedoelde
met de andere wang aanbieden: stop de causale keten van geweld. Zélfs al ben je onrechtvaardig
behandeld, dan nog is dat geen reden om zelf onrechtvaardig te worden.
Dat is dus waar de duivel mijn sympathie kwijt is: net zoals de Vader in ego verkeerde door niet te
willen erkennen dat ook hij een donkere kant had, en zich enkel liet aanbidden voor het goede van de
schepping, net op die manier verkeert de duivel in ego door immer het slachtoffer te spelen, en
ondertussen wel degelijk de dader te zijn van nieuw kwaad. Willen we het kosmische familiedrama
64
met andere woorden herstellen, dan zullen we recht moeten doen aan beiden: de Vader moet tot het
inzicht gebracht worden dat zijn schaduw evenzeer deel van zichzelf is als de schepping, die we zijn
ego zouden kunnen noemen. En de duivel, die moet zijn masker van slachtoffer laten varen – wie
erkend wordt in zijn onrecht heeft geen verdere aanspraak meer op genoegdoening.
Rechtvaardigheid
Wie is de rechter van dit alles? De mens. De mens is de helft van de kosmische evolutie, en slaagt ie
erin zijn schaduwkant te erkennen en met liefde te omarmen, dan kan hij overgaan naar de andere
helft en wordt hij steeds meer goddelijk. Ik ben ervan overtuigd dat er al mensen zijn die ons zijn
voorgegaan op dat pad. De heiligen, bijvoorbeeld, die zich steeds minder werelds en materialistisch
gingen gedragen, die zijn volgens mij hoger geïncarneerd tot engelen. Ik sluit het bestaan van dat
soort wezens dus helemaal niet uit, net zoals ik het bestaan van demonen niet uitsluit, al denk ik dat
die laatste vooral psychologisch zijn: gebaseerd op de Illusie van het Existerende Niets. Engelen
bestaan metafysisch, demonen enkel epistemologisch.
Goddelijk zijn, dus, is niet gelijk creatief zijn. Net niet! Toen God de fout maakte te willen worden,
verloor hij zijn goddelijkheid, waardoor ook de diabolische kant tevoorschijn kwam. De mens, als
meest geëvolueerde deel van de schepping, is het eerste wezen dat die dualiteit niet enkel begrijpt,
maar ook kan overstijgen, door ze niet langer als dualiteit te zien, maar als polariteit: noch God is
algeheel goed, noch de duivel is algeheel slecht. Het is via creatief denken – de dingen anders zien,
tot er minder en minder contradicties voorkomen, tot dingen “opgelost” geraken dus – dat wij die
transcendentie bereiken. Creatief zijn is dus inherent menselijk, niet goddelijk.
Wat moet dan het doel van rechtvaardigheid zijn? Eén woord: hypostase. God verloor zijn eenheid
door een domme, menselijke fout, en het is aan ons om die eenheid weer te herstellen. Dat kunnen
we doen door onze medemens zoveel mogelijk te bevorderen in zijn ontwikkeling, zodat zijn
goddelijke essentie naar voren kan komen. Elke nieuwe uitvinding, namelijk, organiseert de
schepping op een hoger niveau van enthalpie of eenheid. Ik geloof dan ook dat het tegengaan van
entropie de telos van de mens is: de schepping is inderdaad steeds complexer geworden, maar nu is
ze zo danig complex dat onderdelen daarvan die complexiteit terug kunnen gaan afbouwen door die
op een steeds hoger niveau te gaan organiseren.
Vandaar dat alle spirituele tradities de nadruk leggen op één-voud. De hoogste realiteit (God,
oneindigheid) heeft namelijk maar één vouw: die tussen de Vader en de Zoon. Het is de mens die de
zaak veel te in-gewikkeld maakt. Het is nochtans heel eenvoudig: God maakte een fout, en werd zo
de Vader van de schepping. De Zoon is het eerste onderdeel van de schepping dat beseft wat mis is
65
gelopen, en indien de Zoon maar genoeg geloof kan opbrengen in God zal die, geholpen door de
Heilige Geest, vroeg of laat weer één worden. Die voor-onderstelling, dat eenwording wel degelijk
mogelijk is, is de hypo-stase van God: God is op dit moment niet één, maar we doen alsof ie nu al
één is, zodat het universum zich reorganiseert in die richting.
Manifestatie
Die vorm van geloven – doen alsof een gewenste toestand nu al realiteit is geworden – is een spirituele
techniek die manifestatie heet, en voor alle praktische doeleinden een synoniem is van bidden. Niet
van aan-bidden, want dat is het sturen van energie naar een Gods-concept (laag 4), wat niet hetzelfde
is als God (“laag” 5 – oneindigheid. God is volgens mij absoluut niet gebaat met vereringen over hoe
machtig hij wel niet is, noch met adoraties over hoe liefdevol hij wel was om ons het geschenk van
het leven te geven. Het leven mag inderdaad een geschenk lijken, maar dat is dan enkel zo voor wie
nog niet genoeg ervaring heeft om in te zien dat alle genot onderworpen is aan de wet van het
marginaal nut, en na verloop van tijd alles gaat vervelen.
De snoeiharde waarheid is dat leven lijden is, en dat het enige wat dat lijden kan verzachten is het
geloof dat het lijden niet zinloos is, maar, indien goed gekozen, wel degelijk iets kan bijdragen tot de
éénwording van God. Lijden moeten we sowieso, maar het is omwille van Paradox III – radicale
onbepaaldheid – dat we tegelijk ook vrij zijn ons lijden te kiezen. Wie zwelgt in materialisme en
hedonisme die mag dat, maar het geluk zal steeds verder af liggen omdat het genot van iedere ervaring
die zich herhaalt onvermijdelijk zakt. Het marginaal nut van het geloof in God zakt echter nooit,
omdat we op weg naar onze eenwording met oneindigheid ons Zijn steeds op een hoger niveau kunnen
beleven, los van de beperkingen die ons daarvoor bepaalden.
Wie echter louter gelooft in Gods-concepten, en niet in de oneindigheid zelf, die zal merken hoe hij
steeds leger wordt, en dit omdat zijn energie niet gericht wordt op het manifesteren van wat hij nodig
heeft om meer één met zijn Zelf te worden, maar omdat hij zijn kracht stuurt naar een concept, wat
finaal slechts een object is zoals alle andere. Dat is wat mensen doen die de duivel aanbidden. Hun
rites verlenen hen kracht, maar men beseft niet dat die komt vanuit hun eigen psyche, en men dus
roofbouw pleegt op het eigen systeem. Het grote mysterie der manifestatie – soms de Wet der
Aantrekking genoemd – is dat geloof in de oneindigheid, en louter dat geloof alleen, precies die
dingen naar jouw realiteit kan trekken die je kunnen helpen groeien.
We zullen deze techniek in meer detail bespreken in het laatste hoofdstuk, waar we die nodig zullen
hebben om iemand op te laten staan die er moedwillig voor kiest het lijden op zich te nemen van
diegenen die te zwak zijn om dat zelf aan te durven, en hen zo symbolisch kan bevrijden. De meester
66
in deze techniek was volgens mij Jezus, de Christus van Nazareth, die manifestatie niet enkel
gebruikte om daden te stellen die ongeïnformeerde lieden “wonderen” noemen, maar finaal ook om
te laten zien dat de dood slechts een overgang is tussen één stuk van het eeuwige leven en het volgende
stuk, of, in fysieke termen geformuleerd, de overgang tussen één kwantumrealiteit en een andere. Het
licht dat stervenden zien is niets meer dan de lichtflits bij een volgende bevruchting.
Het Kwade is met andere woorden machteloos: zelfs met de dood kan het ons niet bedreigen. Wie
gelooft in de hypostase van God, die zal beschermd worden door de Heilige Geest. En zelfs indien
iemand sterft terwijl hij doet wat hij moet doen om die hypostase in te lossen, dan nog is dat winst,
want dat betekent dat die persoon naar een andere realiteit geroepen wordt waar hij dat soort werk
nog beter kan verrichten. Wij zijn namelijk niet de enigen die aan manifestatie doen: ook in andere
realiteiten is men daar druk mee bezig. Wie het Kwade helpt bevorderen, zal door het Kwade naar
onderen geroepen worden. Wie het Goede helpt bevorderen, die gaat stapsgewijs een rang hoger. Zo
eenvoudig is het, althans in mijn geloof.
Het vagevuur
U leest het dus goed: ik verbind het christendom met reïncarnatie. Het idee mag boeddhistisch lijken,
maar dan vergeet u dat Siddharta Gautama slechts 500 jaar voor Christus leefde, en diens monniken
zijn leer tot diep in Alexandrië verspreidden. In de biografie van Christus is bovendien een gapend
gat van zeventien jaar te vinden, wat voor mij de these héél aannemelijk maakt dat hij rondom zijn
twaalfde naar het Oosten trok, op zoek naar wijsheid, en pas op zijn negenentwintigste gewapend met
al die nieuwe inzichten terug naar zijn land van oorsprong trok om het te bevrijden van allerlei
bijgeloof zoals het geloof dat het brengen van offers aan God de mens kan verlossen.
God wil geen offers. God wil één worden, en heeft onze hulp daar bij nodig. Hij is niet meer één en
dus niet meer sterk als voorheen, maar met elke gelovige die erbij komt – met elke persoon die gelooft
in de voor-onderstelling of hypostase dat hij inderdaad weer één kan worden – groeit zijn kracht, en
dus ook die van de Heilige Geest. De ultieme vorm van compensatie van het Zelf, namelijk, voorbij
de projecties en inflaties in onze wakende toestand, en voorbij de dromen en hallucinaties in onze
onbewuste toestand, is iets wat Jung synchroniciteit noemde: voor wie het Goede doet, komt het juiste
altijd op het exacte moment op zijn pad.
Het is zaak die kracht te ontketenen, en dat kan enkel door enerzijds zoveel mogelijk contradicties te
vermijden, en anderzijds zoveel mogelijk het goede te doen: anderen helpen bij het vinden van de
weg naar zichzelf. Dat dit niet eenvoudig is moge duidelijk wezen: we leven nu eenmaal in een versie
van de realiteit die zeer ver weg van God staat, en het aantal kansen om de gemakkelijke weg te
67
nemen en het slechte te doen is meer dan overvloedig. Maar wie gelooft dat het leven eeuwig is, en
ons mensenleven slechts één stap in een lange keten is, die begrijpt meteen dat men ook vorige levens
kan gehad hebben. Zelfs in het Christendom ging je tot de zesde eeuw niet rechtstreeks naar de hemel,
maar in stappen.
Dat bracht mij op het volgende idee: de katholieke conceptie van het vagevuur, die stelt dat na onze
fysieke dood de ziel niet meteen naar de hemel of de hel gaat, maar naar een schemerzone alwaar we
getest worden op onze puurheid. Kan er echter iemand garanderen dat dit eigenste leven niet één van
de rangen in dat vagevuur is? Dat we in onze vorige levens iets serieus moeten mispeuterd hebben
om in deze hel terecht te komen? Me dunkt van niet, en wie die visie aanneemt op het leven, die
verandert meteen zijn hele houding tegenover anderen: allemaal zijn we zondaars, anders zaten we
hier niet. En het is die basale compassie, dat basale medeleven, dat samenleven mogelijk maakt:
niemand is perfect, maar we moeten de perfectie – God – wel nastreven.
Laten we nu, gewapend met deze inzichten, terug keren naar het politieke model dat de begeleiding
van de mens door dit deel van het vagevuur het beste kan begeleiden: de triarchie. Om het hoogste
niveau van ons mens-zijn te bereiken, namelijk, moeten we doorheen de vijf abstractielagen die ik
eerder schetste, en de groei van zo’n grote kruin aan bewustzijn kan enkel wanneer de stam van onze
ervaring even diep geworteld is in wat voorheen nog onder onze bewustzijnsgrens lag. Onze
persoonlijkheid schiet wortel bij onze persona, en groeit omgekeerd-paradoxaal doorheen vijf lagen,
voorbij de karikaturen die we van onszelf dreigen te worden indien we blijven hangen in de laag van
de archetypes, richting ons ware Zelf, dat nu nog uitgespreid is in die vijf lagen.
Drie principes
Bij de eerste bespreking van de triarchie wees ik erop dat macht een negatief instrument is: kratos is
wat je gebruikt als je je autoriteit verloren hebt. Het systeem op zich heeft echter wel degelijk de
suffix –archie, wat komt van het Grieks ἀρχή (arche) wat “begin”, origine” en zelfs “bron van actie”
betekent. Een tri-arche is dus een systeem dat gebaseerd is op drie bronnen, beginselen of principes.
Het respecteren van die principes bezorgt het individu autoriteit. En die is dan weer nodig om de
instellingen te kunnen bevolken, die hopelijk zo weinig mogelijk gebruikt moeten worden. De beste
leider is degene die zijn werk onzichtbaar doet, door simpelweg symbool te staan voor die principes.
Moet hij teveel actief tussenkomen, dan is dat een teken van zwakke autoriteit.
De principes waarover ik spreek, zijn er drie in totaal: het non-agressieprincipe, waarop alle
wetgeving gebaseerd is, het non-contradictieprincipe, waarop alle wijsheid gebaseerd is, en het nonperversieprincipe, dat de relatie vormt tussen de twee. Geweld, namelijk, mag in sommige gevallen
68
wel degelijk gebruikt worden. Het non-agressieprincipe is een principe. Wordt ervan afgeweken
doordat iemand een contradictie heeft begaan, dan mag die situatie in sommige gevallen hersteld
worden door effectief macht te gebruiken. Maar de kunst is dus om contradicties te vermijden.
Geweld, destructief dan wel curatief, is zonder uitzondering het gevolg van het niet respecteren van
dat hoogste principe.
Het bewaken van het non-contradictieprincipe is de taak van de spirituele macht. Zij moeten de eerder
besproken telos van de mens in het oog houden, en alle acties afwegen tegenover dit doel. Het
organiseren van onderwijs dat voorziet in (1) het begrijpen van die telos – metafysica, (2) de manier
waarop je in het eigen leven contradicties kunt elimineren – logica, en (3) de sociale gedragscode die
daaruit voortvloeit – recht, is de kern van dat onderwijs. Alle andere vormen van onderwijs, zoals het
aanleren van zakelijke competenties of het ontwikkelen van specifieke talenten kunnen door de
andere machten georganiseerd worden. Het aanleren en toepassen van de drie fundamentele principes
waarop de triarchie gebouwd is, evenwel, is een zeer serieuze zaak.
De materiële macht, dan, is de bewaker van het non-agressieprincipe. Dat principe stelt dat niemand
het recht heeft om het eigendom van iemand, zijn fysieke lichaam of zijn psychologische integriteit
geweld aan te doen. De taak van de Koning is met andere woorden om de Godsvrede te bewaren:
enkel in een samenleving waarin men materieel zeker is van zijn eigendomsrecht, zijn fysieke
integriteit en zijn gewetensvrijheid, kan de mens tot volle ontplooiing komen. De Koning spreekt dus
recht, niet gebaseerd op positivistische wetten, maar op basis van het non-agressieprincipe zelf. Hij
gaat niet pro-actief regeren, maar re-actief macht gebruiken om alles wat in tegenspraak is met het
non-agressieprincipe recht te zetten.
Komen er veel overtredingen voor van het non-agressieprincipe, dan is dat een teken aan de wand
richting de spirituele macht, die er blijkbaar niet in slaagt om het non-contradictieprincipe aan de man
te brengen. Alle geweld spruit namelijk voort uit angst, alle angst uit onwetendheid, en alle
onwetendheid uit contradicties. Het is de taak van de spirituele macht om via publiek debat en privaat
onderwijs de eeuwenlange ervaring met het vermijden van contradicties via het cultureel erfgoed door
te geven aan de volgende generatie. De materiële macht staat machteloos als de bron van agressie
niet opdroogt: menselijke onwetendheid over de metafysische erfzonde die in de eerste plaats al de
grootste contradictie ooit opleverde: de schepping zelf.
69
Non-perversie
Geen agressie plegen is niet eenvoudig, want kosmisch is er eigenlijk agressie gepleegd op ons. Van
een staat waarin alles één en oneindig was, zijn we gekomen tot een staat waarin alles verdeeld is.
Dat verbreken van de Goddelijke Waarheid – namelijk: éénheid – is de erfzonde, en het is niet de
mens die daar schuld aan heeft. De enige verantwoordelijke hiervoor is God. Nu zouden we echter
maar kleine mensen zijn indien we hierover rancuneus zouden doen: iedereen maakt fouten. Het is
precies in het overstijgen van mogelijke rancune – door het elimineren van contradictie – dat we de
schepping weer dichter bij God kunnen brengen, en dus ook ons ego dichter bij ons Zelf.
Dit is dan ook het principe dat richting kan geven aan ons handelen: in alle keuzes tussen Zelf en ego
moet Zelf primeren. Het is niet voldoende dat we contradicties elimineren en geen agressie plegen.
Dat zijn negatieve bepalingen. Integer zijn, echter, is een actieve attitude, gebaseerd op het herkennen
van de schaduwen in je Zelf, en weten hoe ermee om te gaan. Het is zeer eenvoudig om, wanneer we
geconfronteerd worden met een probleem dat angst inboezemt, in ego te schieten en zo het contact
met je Zelf te verliezen. Je gaat met andere woorden in contradictie met je Zelf staan, en daarvan kan
uiteindelijk maar één ding voortkomen: agressie.
Het non-perversie principe gaat dus niet over de mogelijke perversies die iemand zou willen begaan
om zichzelf beter te leren kennen. Er is geen probleem met het beleven van perversie, zolang maar
ter dege beseft wordt dat perversie de uitzondering is, en niet de norm. Het is in sommige gevallen
zelfs nodig om de schaduw in een klaar daglicht te kunnen stellen. Pas als de verborgen perversie
open en duidelijk is, kan de Zelf-kennis groeien, en kan het ego aangepast worden zodat het in de
toekomst nog beter contradicties kan vermijden. Het non-perversieprincipe gaat dus niet over het
vermijden van perversies op zich. Dat zou dom zijn, want dan leer je niets. Het gaat erover dat bij het
opzoeken van die perversie non-perversie wel degelijk nog steeds als norm wordt gehouden.
In feite wijst dit zichzelf uit. De essentie van het concept van perversie, namelijk, veronderstelt het
overtreden van een norm. Als perversie echter de norm wordt, wat kan er dan nog overtreden worden?
Dat nar één dag per jaar Koning is, en de Koning zijn slaaf, is zeer gezond, want het bevestigt beiden
in hun rol. Maar het kan nooit de norm zijn, omdat dan zowel de identiteit van de nar als die van de
Koning verdwijnt. Het non-perversieprincipe gaat dus niet over het moedwillig vermijden van
afwijkingen van de norm. Die kunnen de norm zelfs bevestigen. Het gaat erover dat er wel degelijk
een norm bestaat, en iedereen beseft dat die norm integriteit is: het perfect in lijn brengen van het ego
met het Zelf.
70
De commerciële macht
Elke burger in een triarchie wordt geacht deze drie principes te respecteren, maar als er één macht is
waarbij het non-perversieprincipe van uiterst belang is, dan is het wel de commerciële macht. Wie
talent heeft, namelijk, en het product van zijn creativiteit aan de man wil brengen, die kan al heel snel
in contact komen met groot geld dat in ruil voor een snelle groei ook een stuk van je eigenheid zal
opeisen. Dat is bijzonder nefast, omdat je eigenheid in feite het enige is wat je hebt, en je bij het
verkopen daarvan eigenlijk je ziel of Zelf van de hand doet in ruil voor de bevestiging van je ego. In
het begin geniet het ego van de gewonnen aandacht, maar na verloop van tijd begint de cognitieve
dissonantie toch te knagen: “Ben ik nog me’ Zelf?” of: “Heb ik dit Zelf verdiend?”
Wie het non-perversieprincipe respecteert, die zal geen problemen hebben om, geconfronteerd met
het enorm aantal opportuniteiten die zielenkopers je zullen aanbieden die kans eruit te kiezen die bij
hem past. Wat bij je past, namelijk, is niet datgene wat je motiveert, maar datgene wat je inspireert.
Motivatie is iets wat je sowieso al hebt: het is de levenskracht die van nature vloeit uit het Zelf. Wil
iemand je extern motiveren – bijvoorbeeld met geld – dan weet je dat je met een ongeïnspireerde
persoon te maken hebt, en dan moet je die links laten liggen. Het non-perversieprincipe stelt dat de
richting waarin energie stroomt van binnen naar buiten moet zijn: van Zelf naar ego.
Loopt die stroom omgekeerd, van ego naar Zelf, dan krijg je contradictie, en dus ook agressie. Je kunt
namelijk niet op tegen de stroom van energie die uit het oneindige komt. Uw ego, dat zich liet
verleiden door externe motivatie, zal ondertussen een alter ego zijn geworden, en zal zich met man
en macht tegen het Zelf gekeerd hebben. De reden waarom dit agressie met zich meebrengt is evident:
om die hopeloze strijd te kunnen winnen, heeft het Alter Ego steeds meer energie nodig. Die energie
kan echter niet uit het Zelf komen, zoals gewoonlijk, want precies daarmee is het Alter Ego aan het
vechten. Die energie moet dus bij anderen afgeperst worden.
Het in het oog houden van het non-perversieprincipe – het principe dat motivatie intern moet zijn, en
inspiratie extern – is iets wat de leden van alle machten moeten doen. Maar omdat motivatie die uit
angst voortspruit heel vaak te doen heeft met geld, zijn het de leden van de commerciële macht die
het meest blootgesteld worden aan de verlokkingen van externe motivatie. Zij vormen qua
bevolkingsaantal ook de grootste groep, en dus is het in ere houden van het non-perversieprincipe
cruciaal voor het blijvende functioneren van de triarchie. Vanaf het moment dat de commerciële elite
in ego gaat, zal ze de andere elites mee perverteren, en dan is alles verloren.
71
Destabilisatie
Dat is trouwens ook wat historisch gebeurd is. De hoogdagen van de Katholieke Kerk mogen zonder
enige twijfel in de dertiende en veertiende eeuw worden geplaatst, en dit om geen enkele andere reden
dan dat de geest van Thomas van Aquino de Kerk inspireerde. Men besefte heel goed dat externe
motivatie – geld – een maatschappij die gericht was op de ontplooiing van het Zelf zeer snel kon doen
ontaarden in een maatschappij die gericht was op de bevestiging van het ego, en daarom verbood
Rome het verdienen van geld aan geld. Het heffen van intrest op de medemens in ruil voor geld werd
gezien als een vorm van slavernij van het Zelf aan het ego.
Dit blokkeerde echter de commerciële macht van die dagen, die zich verzameld had in Venetië. Door
het materiële succes dat zij oogsten waren zij zo hovaardig geworden te denken dat het aardse leven
de norm is, maar één keer geleefd kan worden, en dat alle spirituele noties finaal toch maar een
domper op de feestvreugde waren. In hun zucht naar nog meer geld om het ego te bevestigen
infiltreerde Venetië Rome via de familie-Farnese en binnen de kortste keren werd de spirituele macht
mee geperverteerd. Het zijn dan ook die twee machten, Venetië en het Vaticaan, die in samenspraak
met elkaar de macht van Koningen hebben uitgehold.
Dat deden ze door moedwillig de Katholieke Kerk van binnenuit te perverteren, door pausen te laten
verkiezen die niet in het minst spiritueel waren, maar pervers gedrag vertoonden, en door de aftocht
naar het hiernamaals in de handel te brengen in de vorm van aflaten. Daar waar Christus naar alle
materiële maatstaven arm was, en ook de meeste kloosterordes een gelofte van armoede hadden
afgelegd, zwolg het Vaticaan in luxe. Het is dan ook niet verwonderlijk dat nog geen eeuw later een
protestreactie komt van de Duitse theoloog Martin Luther, die als voornaamste punt niet het opheffen
van de Katholieke Kerk heeft, maar het uitbannen van de praktijk van het verkopen van aflaten, en
het inperken van de perversies van het pauselijk regime.
Het protest van Luther was oorspronkelijk een protest binnen de Katholieke Kerk. Maar de top
daarvan, ondertussen volledig in handen van Venetië, was niet geïnteresseerd in verzoening of het
komen tot inkeer, maar in het opblazen van die Kerk zelf. Voor hen was dit een loutere zakelijke
beslissing: wanneer de spirituele herders weg zijn, kunnen de schapen beter worden uitgebuit. Is het
toeval dat de hele trustwetgeving waar ik in hoofdstuk I over sprak er gekomen is onder Anglicaans
bestuur, dat slechts één van de vele splinters was die de Venetianen van de RKK hebben kunnen
afkluiven? De vraag stellen is ze beantwoorden: de tegenwerpingen van Luther hoefden niet in een
schisma te eindigen, maar de centrale bankiers waren er als de kippen bij om die te laten gebeuren.
72
Het gevolg was een totaal verdeeld Europa, waarin de materiële macht, tot dan toe één Europese natie
onder God, verdeeld werd en tegen elkaar opgezet. Natuurlijk waren er ook zonder de bewust
aangebrachte godsdienstige verdeeldheid ook oorlogen onder hen, om land of geld of eer, maar dat
soort geweld werd door de spirituele macht tenminste moreel afgekeurd. Vanaf de reformatie, echter,
werd geweld net gelegitimeerd in functie van God: “Dieu le veut” en “Gott mit uns”. Ik denk dat in
die tijd God, als we hem even als een persoon voorstellen, toen één van zijn slechtste dagen moet
hebben beleefd: “Ik wil niets liever dan terug oneindig worden, en jullie bevorderen alleen maar
verdeeldheid.” In Zijn naam dan nog. De perversie.
Door in te spelen op het ego van de materiële macht – die ondertussen alle autoriteit verloren had, en
het koningschap nu louter nog als een persona beleefde – slaagden de bankiers erin om het hele
continent te verdelen, en vooral: in schulden te steken. Oorlog voeren ging na verloop van tijd al lang
niet meer over het vestigen van de correcte spirituele orde, maar simpelweg over het kunnen
terugbetalen van de aangegane leningen. Toen na dertig lange jaren in 1648 dan ook de vrede van
Westfalen werd gesloten, ging dit in hoofdzaak over het treffen van een schuldarrangement: de
geboorte van een staat per heerser – waar de heerser nota bene onderdaan van was – is niets anders
dan het installeren van een schuldvehikel per aangegane lening.
Conclusie
Dit hoofdstuk werd langer dan ik verwacht had, omdat het duiden van het triarchisch politiek systeem
nu eenmaal niet mogelijk is zonder een degelijke uitleg over de connectie tussen onze individuele
psyche en hoe de zaken metafysisch gelopen zijn. De speculatie dat God aan het begin der tijden een
fout maakte, en we daarom nu verwikkeld zitten in een strijd tussen zij die geloven dat God terug één
kan worden, en zij die niet eens geloven dat God ooit bestaan heeft, is volledig vrij, en zal ik nooit
kunnen bewijzen. Toch meen ik te mogen zeggen dat die speculatie heel veel contradicties oplost, en
ook zin geeft aan wat wij hier komen doen.
De triarchie, dan, is het samenlevingsmodel dat volgens mij de mens het beste in staat stelt om een
deel van het kosmische Zelf te ontwikkelen, en wel op zo’n manier dat de schepping dichter bij de
schepper wordt gebracht. De mens heeft mijns inziens dus een unieke rol te vervullen wanneer het
aankomt op de eenwording van God. Om dat doel echter te kunnen dienen – en dus zin te kunnen
geven aan ons eigen leven – moet de triarchie natuurlijk wel nog gerealiseerd worden. Dat is het
onderwerp van het vijfde en laatste hoofdstuk: hoe brengen we de triarchie in praktijk? Daar is maar
één antwoord op: door het voorbereiden van de terugkomst van de Koning.
73
Hoofdstuk V: De terugkeer van de Koning
Abstract:
Manifestatie is een spirituele techniek waarbij men een realiteit die men wil bekomen gaat
voorstellen alsof die nu al werkelijkheid is. Het geheim van manifestatie is dat dat ook
effectief zo is: onze werkelijkheid is maar één van de oneindig vele werkelijkheden die
ontstonden toen God de fout maakte te willen worden. Alles wat wij ons kunnen indenken,
bestaat al, maar dan in één van die parallelle realiteiten. Het is ons geloof, en niets anders dan
geloof dat aspecten uit die parallelle realiteiten naar de onze kan halen. En wat ik naar hier
wil halen, is de Koning die we nodig hebben om de triarchie te laten werken.
Inleiding
Over de figuur van de Koning is in vorige hoofdstukken nog niet veel verteld. In tijden met een
gezonde filosofie was het vermelden van dat woord alleen al genoeg om allerlei gevoelens van eer en
plichtsbesef op te roepen, maar in onze modernistische en dus perverse tijden wordt het idee van een
Koning weggelachen. Alsof moderne technologie en een oude kroon op geen enkele manier samen
passen. Het model dat de centrale bankiers voor ons in petto hebben, is een wereldrepubliek, met als
“res publica” of algemeen belang natuurlijk hun eigen private belang, zij het dat dit netjes verborgen
zal worden door allerlei discours over het belang van wereldvrede of het ontwikkelen van de
mensheid.
Het ware algemeen belang, echter, is het private belang van de meest ontwikkelde mens in een
samenleving. Die mens is, net door zijn hoge ontwikkeling, al zo danig bevrijd van allerlei angsten
en dus contradicties, dat hij héél goed weet dat hij de leiding neemt, niet over een gemeenschap, maar
over een goddelijke missie: het dichter brengen van de schepping bij de schepper. Het verschil tussen
aristocratie en bourgeoisie is dan ook in één woord samen te vatten: transcendentie. Een bourgeois
zal een park kopen om er zijn vrienden te kunnen in uitnodigen, zodat ze afgunstig kunnen zijn op
zijn bezit. Een aristocraat zal een park kopen omwille van de natuur zelf. Hij snapt dat zijn taak groter
is dan het louter materiële leiderschap van de bourgeois.
De grootste onder alle aristocraten, werd van oudsher de fyrst of first genoemd, de eerste onder zijn
gelijken. Dat is dan ook hoe een vorst of Koning moet worden gezien: niet als de heerser over een
gemeenschap, maar als de primus inter pares, de man die de goddelijke essentie in zichzelf het beste
naar boven heeft kunnen brengen, en dit nota bene door de drie eerder vermelde principes te volgen:
non-contradictie, non-perversie en non-agressie. Het is dan ook op die basis dat de spirituele macht
74
de Koning zal selecteren uit de brede laag aristocratie die zich aan die functie probeert te spiegelen.
Enkel de meest wijze, integere en intelligente kandidaat onder hen is waardig om te beseffen dat het
koningschap géén pretje is, maar een symbolische functie: het inspireren van mensen.
In dit hoofdstuk zal ik u aantonen hoe enkel de komst van een Koning ons van onze slavernij kan
bevrijden. Dit systeem, namelijk, staat of valt met de morele goedkeuring die wij verlenen aan onze
eigen uitbuiting. Het is pas wanneer iemand de moed kan opbrengen om die uitbuiting te stoppen, dat
het systeem in levensgevaar komt. Dat zal niet gebeuren door de zoveelste politieke partij op te
richten, of krant, of denktank. Dat kan maar op één manier: het ostentatief weigeren om ook nog maar
één cent belasting te betalen. Ziedaar de rol van de Koning: enkel zo iemand heeft de moed om de
vervolging die van zo’n actie zeker het gevolg zal zijn, met bravoure te doorstaan.
Tienden
Het idee dat belastingen noodzakelijk zijn voor het functioneren van de samenleving is deel van de
modernistische psychose waarin wij met zijn allen beland zijn. Die belastingen, namelijk, worden
hoofdzakelijk gebruikt om het exploitatiesysteem in stand te houden, niet ter bevordering van de Zelfontplooiing van de mens. Daarbij heb ik het nog niet eens over de buitenproportionele last die de
intresten op staatsleningen met zich meebrengen, noch over de enorme administratiekost die het
afdwingen van positivistische wetgeving met zich meebrengt, maar vooral over de functie van
belastingen in het monetair systeem zelf: die zijn namelijk onderpand van staatsleningen, die op hun
beurt terugbetaald moeten worden met … belastingen.
In een triarchie bestaan belastingen niet, en dit niet enkel omwille van het feit dat het onderpand van
het geld niet langer staatsleningen zijn, maar private engagementen, maar vooral omdat deze ingaan
tegen het non-agressieprincipe: onder geen beding mag een individu verplicht worden om tegen zijn
wil een deel van zijn productie af te moeten geven. Mochten we de triarchische visie proberen te
implementeren, dan zou het heffen van belastingen contradictie nummer één zijn, wat meteen nog
maar eens een principe verbeurd zou verklaren. Begin je met agressie, dan beland je in contradictie,
en vroeg of laat neemt de perversie opnieuw de overhand. Een nieuwe maatschappij kan er met andere
woorden enkel maar komen als belastingen 100 % vrijwillig zijn.
De reden dat de meeste mensen niet in zo’n systeem geloven, is omdat ze nog nooit het enorm snel
dalend marginaal nut van geld hebben mogen ervaren. Ze zijn bewust arm gehouden, omdat het
verdienen van 1000 euro extra wanneer je elke maand maar 1000 euro verdient, een toename van 100
% inkomen betekent. Wie nog nooit ervaren heeft dat het verdienen van 1000 euro extra wanneer je
elke maand al 10 000 euro verdient nog slechts neerkomt op een toename van 10 %, die kan zich zelfs
75
niet inbeelden dat vanaf een bepaald niveau van inkomsten – en dat niveau is veel sneller bereikt dan
u zou denken – het marginaal nut van geld zo hard gedaald is, dat je niets liever doet dan die marginale
inkomsten schenken aan publieke doelen.
Private schenkingen zijn dan ook dé manier waarop in een triarchie – dat is: een samenleving die
gericht is op het éénworden met God – publieke goederen zoals gezondheidszorg, sociale zekerheid
en onderwijs worden gefinancierd. Die drie taken, trouwens, kunnen het best door de spirituele macht
worden opgenomen, omdat het drie taken zijn die gaan over het verheffen van de mens. Publieke
goederen zoals wegen, defensie en communicatie, dan, zijn taken die het best door de materiële macht
kunnen worden opgenomen, omdat het drie taken zijn die gaan over het verheffen van de
gemeenschap op zich. Voor elk van die kostelijke aangelegenheden, echter, kan op geen enkel
moment ook maar één mens verplicht worden bij te dragen.
De klassieke repliek van mainstream economen is dan om op het “free rider”-probleem te wijzen:
mocht niemand willen betalen, dan zouden er helemaal geen publieke goederen zijn. Maar dit is dus
precies waar een triarchische visie verschilt van een moderne: de moderne is inherent nihilistisch en
dus negatief. Men kan zich niet eens voorstellen dat de mens, indien hij als mens behandeld wordt –
dat is: als een deel van de goddelijke geest, gevangen in een lichaam – zich wel degelijk goddelijk
zal gedragen, en er alles zal aan doen om een gemeenschappelijk gesteld doel te realiseren. De free
rider, namelijk, is een rand-fenomeen: wie in zijn kern staat, die heeft bijna geen geld nodig, en draagt
dus maar al te graag vrijwillig bij.
In die vrijwillige bijdragen moet wel een onderscheid worden gemaakt. Wie genoeg geld verdient om
effectief bij te dragen tot het financieren van de spirituele macht maar dat weigert te doen, die mag
dat, maar die moet dan ook met de sociale gevolgen rekening houden: sociale zekerheid, noch
gezondheidszorg, noch onderwijs zullen hem ontzegd worden, maar maatschappelijk zal zo iemand
niet gauw bij het hogere zakenleven betrokken worden. Is de situatie zo dat men inderdaad niet
genoeg geld heeft om aan de gemeenschap bij te dragen, dan zal zo’n persoon niet met de nek bekeken
worden. Maar een vrek, die enkel geïnteresseerd is in het maximaliseren van zijn winst om zo zijn
ego te kunnen voeden, die huldigt het non-perversieprincipe niet, en laat men links liggen.
76
Tributen
Het financieren van de spirituele macht is één zaak, het ter beschikking stellen van middelen aan de
Koning is een andere. Ook die mag namelijk geen belastingen heffen, en is voor zijn financiering
volledig afhankelijk van een specifieke vorm van eerbetoon. Zijn aanstelling door de spirituele macht,
namelijk, is op zich niet voldoende om Koning te worden. Hij moet ook financieel soeverein zijn
vooraleer hij nog maar die functie kan betrekken. Een Koning, namelijk, mag nooit geld lenen, want
dan is hij afhankelijk. Wanneer een aristocraat in een triarchie Koning wordt, dan wordt aan hem de
zeer specifieke eis gesteld om zijn volledige persoonlijke patrimonium te verkopen, en daarmee de
kosten voor het eerste jaar van zijn koningschap zelf te dekken.
Daarmee is meteen duidelijk gesteld dat het Koningschap een hoogst symbolische functie is, en in
geen geval kan gaan over het volgen van het persoonlijk belang. Mocht de Koning weggestemd
worden, dan moet hij geen persoonlijke armoede vrezen, want dan kan hij rekenen op ondersteuning
door de spirituele macht. Maar een rechter kan slechts rechter zijn als hij voor zijn inkomsten niet
langer afhankelijk is van persoonlijk geldgewin, maar van symbolische inkomsten. Die inkomsten
worden vanaf het tweede jaar bijgedragen door die leden van de commerciële macht die in zich een
aristocratische missie voelen. Het verschil tussen bourgeoisie en aristocratie, in een triarchie, is of
men al dan niet bijdraagt aan de financiering van de materiële macht.
De manier waarop dat gebeurt zijn tributen, die echter pas betaald worden na het lopende jaar. Dat
voorkomt dat de Koning kwistig wordt, want de hoogte van de tributen van het nieuwe jaar, mogen
gezien worden als een oordeel van de commerciële macht over de effectiviteit van het beheer van de
tributen van het vorige jaar. Zijn de tributen in een welbepaald jaar te laag om de lopende kosten te
dekken, dan is de Koning verplicht om een extra bede te richten aan de commerciële macht, die op
dat moment dan de kans heeft om haar grieven ten berde te brengen. Op die manier wordt aan de
triarchie een democratisch element toegevoegd, dat echter niet positivistisch is, maar corrigerend.
Hoe hoog de vrijwillige bijdragen aan de spirituele en de materiële macht moeten zijn, is eigenlijk
niet te voorspellen. Veel heeft te maken met de fase waarin de ontwikkeling van het land zit, en in
een triarchie kunnen de drie machten zeker overleggen over wat prioritair is. Maar aangezien de taken
van zowel de materiële macht als de spirituele macht telkens beperkt zijn tot drie zeer specifieke taken
– te weten: infrastructuur, landsverdediging en communicatie voor de ene en onderwijs,
gezondheidszorg, sociale zekerheid voor de andere – moge het duidelijk wezen dat de vrijwillige
bijdragen een stuk lager zullen zijn dan wat nu via gestemde wetten verplicht wordt.
77
Psychose
Vandaag leven wij echter niet in een samenleving waar publieke goederen via vrijwillige tienden en
tributen worden gefinancierd, maar in een systeem dat ons via belastingen verplicht onze eigen
slavernij te bekostigen. De hoofdreden waarom de mensheid niet in opstand komt tegen haar eigen
uitbuiting, is omdat het geen alternatief ziet: de machtsstructuur zit zo ineen dat de commerciële en
de spirituele macht doen alsof alle macht toebehoort aan de Trias Politica, terwijl die in feite niet
bestaat, noch kan bestaan. Zodoende richt men alle energie op het verwerven van materiële macht,
terwijl dat de minst belangrijke is: enkel door propaganda kan die worden rechtgehouden.
Het mysterie van de wetteloosheid moet dus zo begrepen worden dat het systeem – dat is: de
samenzwering van de spirituele en de commerciële macht – zowat elke denkbare barbarij kan plegen
zonder dat de eigen macht daarbij in gevaar komt. Mensen zien die toch niet. Van jongs af aan wordt
men met de paplepel ingegeven dat de wet neerkomt op wat 51 % van de verkozenen in een halfrond
beslissen, en heerst dus ook de illusie dat de samenleving enkel via democratische weg veranderd kan
worden. Dat klopt niet: wat de wet is, wordt niet beslist, maar ontdekt. Het is door het toepassen van
de drie triarchische principes dat de mens zijn verhouding tot God ontdekt.
78
Het is echter onbegonnen werk om dat aan een moderne mens uit te leggen. Die zit zo danig vast in
zijn denken dat hij de conceptuele werkelijkheid die hem is aangeleerd houdt voor de werkelijke
werkelijkheid. Hij decodeert dezelfde observaties via een totaal andere geloofssleutel, en verbindt
bovendien daarbij zijn identiteit aan het systeem. Zijn ego, namelijk, is door de vele jaren van
indoctrinatie inderdaad een alter ego geworden, en het is de interactie van al die alter ego’s die we
met recht en rede “het systeem” mogen noemen. Het systeem, met andere woorden, is noch politiek,
noch juridisch, maar 100 % psychologisch: het is een psychose die zichzelf in stand houdt.
De enige man in de geschiedenis van de mensheid die erin geslaagd is om zo’n collectieve psychose
te verbreken met wat wij witte magie zouden kunnen noemen is Jezus, de gezalfde uit Nazareth.
Gezalfd, omdat hij er als één van de eerste mensen in geslaagd is volledig één te worden met zijn
Zelf, en dus ook zonder enige vorm van angst in het leven kon staan. De grootste angst die mensen
hebben, namelijk, en de bron van alle andere angsten, is de angst voor de dood, die gedacht wordt als
de overgang van iets naar niets. Het is pas wanneer men een rotsvast ongeloof in niets heeft kunnen
ontwikkelen, of positief geformuleerd, een rotsvast geloof in iets, dat men hier vrij van is.
Ik ga niet beweren dat Christus verrezen is, en dat dit dan de Blijde Boodschap zou zijn. We kunnen
niet logisch uitsluiten dat zo’n wonder inderdaad is geschied. Maar voor zou Christus zelfs zonder
verrijzenis nog steeds een lichtend voorbeeld zijn, en wel omdat hij door het vrijwillig opofferen van
zijn eigen leven het gedwongen opofferen van de levens van zijn volk heeft gestopt. Begrijpen hoe
hij dat gedaan heeft, is essentieel om ook in onze tijd tot de bevrijding uit onze slavernij te komen:
willen we mensen uit hun dia-bolisch aangebrachte psychose bevrijden, dan moet de actie die wij
nemen volledig sym-bolisch zijn.
Dia-bolein
Het woord duivel komt van het Latijn “diabolus” wat op zijn beurt weer afgeleid is van twee Griekse
woorden: “bolein”, wat werpen betekent, en “dia”, wat een prefix is die duidt op afbraak, verbreking.
Dia-bolein wil dus letterlijk zeggen: het van elkaar werpen of verbreken van betekenis. Het
tegenovergestelde van dia-bolein is sym-bolein, waarin de prefix “sym” samen betekent. Sym-bolein
wil dus letterlijk zeggen: het samen werpen of produceren van betekenis. Een symbolische actie is
dus een actie die betekenis genereert, en dus het tegenovergestelde van diabolische actie, die er net
op gebrand is de creatie van betekenis tegen te gaan.
De mens dan, is een symbolisch dier. Hij kan niet leven zonder betekenis. De overtuiging dat het
universum uit het niets is ontstaan, we hier een eind doelloos rondlopen, en straks terug in niets zullen
vergaan is diabolisch, omdat ze geen enkel perspectief biedt. De omgekeerde overtuiging, dat het
79
universum uit alles (oneindigheid) is ontstaan, we hier zijn om die verloren gegane oneindigheid te
herstellen, en we, indien we daar in slagen, ook zelf in die oneindigheid zullen mogen opgaan, is
symbolisch, omdat ze ons hele zijn als mens zin geeft. Iets is met andere woorden symbolisch als het
naar het geheel (oneindigheid) verwijst, en diabolisch als het naar niets verwijst.
Dat laatste, echter – naar niets verwijzen – wordt zorgvuldig verborgen gehouden. Aangezien de mens
constant op zoek is naar betekenis, kun je hem niet strikken door eerlijk te bekennen dat wat je hem
aanbiedt tot niets leidt. Je moet het Niets verpakken in een mooie woordenbrij, waarbij referenties
aan hoge idealen niet geschuwd worden. Bij sommige mensen is het horen van het woord
“democratisch” soms al genoeg om de afzender van die boodschap te vertrouwen. Dat achter dat
democratische masker echter in 99 % van de gevallen een moderne en dus totalitaire aspiratie zit,
daar denkt men in de meeste gevallen niet over na.
Ware democratie namelijk, is de macht om nee te zeggen tegen gelijk welk systeem die de mens niet
behandelt als een deel van God behandelt die op weg is naar zichzelf, maar als een slaaf die mag
uitgebuit worden ter meerder eer en glorie van een abstract ideaal. Het is ostracisme, in zijn puurste
vorm. En de enige manier om dat schervengerecht te laten werken, is om het systeem symbolisch weg
te stemmen. Het zijn de mensen die op hun stembiljet een bepaalde vermelding zullen aanbrengen
waardoor die stem ongeldig wordt, die het begin zijn van een verzet dat niet te stoppen valt: uit
symbolische actie spruit altijd praktische actie voort.
De Partij van de Koning
Waar ik het over heb is het vormen van een nieuwe gemeenschap, geïnspireerd door het idee van de
triarchie. Toen de eigenaars van het monetaire systeem in Christus’ tijd hem wilden strikken inzake
de vraag of er belastingen moesten betaald worden aan Rome, was diens antwoord simpelweg: “Geef
aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is”. De farizeeërs liepen verward weg,
maar heeft er eigenlijk iemand bij stil gestaan dat deze uitspraak niet noodzakelijk impliceert dat er
ook maar iets aan de Keizer verschuldigd is? Misschien is het antwoord op de vraag wat aan de Keizer
moet betaald worden wel helemaal niets?
Dat is volgens mij de eerste stap geweest in de symbolische strijd die Christus voerde: hij wist dat
indien hij zou oproepen tot het niet langer betalen van belastingen hem meteen van de kaart zou
vegen. Het standpunt innemen, daarentegen, dat men nog steeds materieel zijn belastingen betaalt,
maar op zijn minst al geen spirituele goedkeuring meer aan het systeem verleent, dat is op termijn
dodelijk voor het systeem. Telkens wanneer belastingen betaald worden, namelijk, geraken mensen
80
bewuster en bewuster van het feit dat ze fiscale slaven zijn. En die bewustwording, hoewel initieel
onprettig, is de noodzakelijke voorwaarde om grotere symbolische actie te kunnen ondernemen.
Wat ik dus voor mij zie is een nieuwe partij, zij het dan geen politieke partij, maar een spirituele: wie
op zijn stembiljet “PvdK” zet, die geeft daarmee aan zijn goedkeuring niet meer te verlenen aan de
perversie die voor democratie verkocht wordt. Natuurlijk brengt dat op de korte termijn absoluut geen
zoden aan de dijk, maar het schept wel één van de noodzakelijke voorwaarden voor ware verandering,
en dat is bewustzijn over de situatie waarin men zich nu bevindt: de huidige versie van democratie is
een leugen. Elke vier of vijf jaar mogen we kiezen wie in een volgende legislatuur de slavenplantage
zal uitbuiten. Maar echte vrijheid is dit niet.
De Partij van de Koning zal met andere woorden aan geen enkele verkiezing deelnemen, maar die
net wegstemmen door een steeds beter georganiseerde groep te worden van mensen die stemmen voor
de terugkeer van de Koning. Zij weten dat in het triarchisch systeem ze véél meer macht zullen hebben
dan nu, omdat, indien zij de Koning onrechtvaardig vinden, zij gebruik zullen kunnen maken van wat
het democratisch recht écht inhoudt: het wegstemmen van tirannen. Tot die Koning er is, echter, en
de actie onderneemt die moet ondernomen worden om de macht van het monetair systeem te breken,
is het belang van deze symbolische actie niet gering.
De soeverein
Ondertussen, in afwachting van de komst van de Koning, kan er binnen de nieuwe polis van wat we
gemakshalve “incivieken” zouden kunnen noemen, al heel wat gebeuren. Zo zou een magazine dat
de actualiteit op een triarchische manier analyseert de gemeenschap van gelijkgestemden alvast wat
vorm kunnen geven, met bijeenkomsten waarop nog meer symbolische acties gepland worden, en
vooral: voorzien wordt in educatie over de manier waarop Christus het systeem in zijn tijd brak. Hoe
beter dat begrepen wordt, hoe duidelijker het de mensen voor ogen zal staan dat bevrijding uit de
fiscale slavernij niet enkel wenselijk is, maar ook effectief mogelijk.
Want wat was het systeem in Christus’ tijd? Het was niet heel erg verschillend van nu. Het bestond
eveneens uit drie illusies die elkaar trianguleren – dat is: onderling bevestigen. Illusie één was dat
God toornig was omdat de gemiddelde Judeaan zondig was. Illusie twee was dat die toorn gelukkig
kon afgekocht worden door een offer te brengen in de tempel. Illusie drie was dat een offer enkel
geldig was indien het gekocht werd met tempelgeld. Mogen we auteur Reza Azlan geloven, dan was
de ruilvoet van dat zogenaamde tempelgeld er één van 1:60 tegenover het gewone geld dat in de rest
van het land gebruikt werd.
81
De gevolgen zijn meteen duidelijk: wie jaarlijks een offer moet brengen om moreel in orde te zijn,
maar daarbij enorm moet sparen om zelfs nog maar het kleinste offer te kunnen brengen, die kan
nooit voldoende kapitaal opbouwen als buffer om zich te kunnen behoeden tegen zelfs het kleinste
onheil, iets wat door de hogepriesters/tempeliers vervolgens uitgelegd kan worden als een straf van
God. Het is dit systeem waar Christus zich tegen verzette. Bij mijn weten heeft hij nooit geweld
gebruikt, behalve één keer. Wanneer? Juist ja: toen hij de geldwisselaars uit de tempel joeg. Zijn
stelling was heel duidelijk: dit heeft niets meer met religie te maken, maar puur met commercie.
De soeverein zie ik als het blad dat de spreekbuis kan worden van de beweging die mensen bewust
maakt over de parallelen met onze tijd: de staat is nodig omdat de burger te onverantwoordelijk is om
vrij te zijn (1), de staat zal je echter niet vervolgen als je op tijd een deel van je eigen productie
opoffert (2), maar dat offer (belastingen) is enkel geldig als het betaald wordt in fiatgeld dat van de
centrale bank komt. Niet toevallig, dus, waren de middeleeuwse Tempeliers géén christenen, maar
centrale bankiers: het leden van de sekte die de offer-business in de tempel draaiende hielden, en hun
business-model richting Europa hebben geëxporteerd.
De Kerk
Symbolische actie in het stemhokje, en educatieve actie via een eigen magazine is evenwel niet
genoeg. Er moet ook effectief geloofd worden in de komst van iemand die de ultieme bevrijdende
actie onderneemt: het lijden op zich nemen. De eerste macht van de triarchie die zich nu al in de feiten
kan realiseren, is de spirituele macht. Die kan, met behulp van de theologie die ik hierboven heb
uitgewerkt, komen tot een nieuwe cultus waarin het beoefenen van de techniek van manifestatie
centraal staat. Het loven van God, en het aanbidden van zijn Zijn, de volksdevotie van de Heiligen,
stoeten en processies, het mag allemaal, maar dan enkel jegens de hypostase.
Het volgende kan niet genoeg benadrukt worden: God bestaat, maar voorlopig enkel als de Vader, de
Zoon en de Heilige Geest. Het doel is wel degelijk terug de eenwording van God, maar al sinds de
schepping ontstond is dat dus niet meer zo. Alle devotie moet met andere woorden gericht zijn op de
voor-onderstelling van zijn hernieuwde eenheid, en geen historische adoratie van hoe goed Hij wel
niet was om de schepping te creëren. Dat laatste is des duivels, omdat het niet toelaat ons leven echt
betekenis te geven. Indien wij slechts creaturen zijn tot zijner vermaak, en daarna terugkeren naar
hem, dan heeft God blijkbaar entertainment nodig, en is hij niet perfect.
Het is in het ritueel beleven van een cultus die het geloof in de hypostase van God centraal stelt, en
in afwachting onze houding relatie met de Heilige Drievuldigheid vorm geeft, dat de kracht van het
geloof werkelijk tot uiting kan komen. Het geloven in die hypostase namelijk, zal precies die krachten
82
losmaken die nodig zijn om het geprojecteerde geloof realiteit te laten worden. Niet in één keer, maar
wel degelijk in de richting van het goede, het hele, het heilige, het oneindige. Het is door het richten
van onze blik op het oneindige Zelf, en ons oordelende ego-verstand op nul, dat onze motivatie in lijn
kan komen te staan met de goddelijke inspiratie, ofte: de Heilige Geest.
Doen we dat, dan komt er zo’n kracht in ons vrij dat de macht van het systeem erbij verbleekt in het
niets. Wie in zijn kracht staat, namelijk, die is nergens nog bang van, en nog het minst van al van de
dood. Wie gelooft dat de mens het eerste wezen is dat voldoende complex is om te beseffen wat
kosmisch is misgelopen, en zodoende via verschillende incarnaties ook die kosmische fout kan helpen
herstellen, die vreest niet om voor de waarheid/God/oneindigheid te sterven. Die weet dat ie naar een
hogere realiteit vertrekt. En in een gemeenschap waarin dat geloof sterker en sterker wordt, zal er
vroeg of laat inderdaad iemand opstaan die de rol van Koning op zich kan nemen.
Het bevrijdingsfonds
De materiële macht is de laatste van de drie machten die zichzelf zal realiseren. De tweede macht is
de commerciële macht, die, geïnspireerd door de spirituele macht, alles in het werk zal stellen om de
leden van de nieuwe gemeenschap ook materieel te gaan steunen. In de eerste plaats de Kerk zelf, die
de bron is van de symbolische vernieuwing, het licht in de duisternis, de wissel op de toekomst. Het
is enkel wanneer gewone fiscale slaven en beter begoede fiscale slaven die we doorgaans
ondernemers noemen vrijwillig en “om niet” bijdragen gaan leveren aan een fonds dat gericht is op
het realiseren van de triarchie, dat de zaken werkelijk in beweging zullen komen.
Het is mogelijk dat dit heel lang niet gebeurt. Het is zelfs heel goed mogelijk dat de zakenwereld deze
nieuwe spiritualiteit gaat bestrijden, omdat het lijnrecht ingaat tegen verdienmodellen die, net zoals
de staat, de consument beschouwen als een melkkoe. Ik verwacht dan ook niet dat het de grote
ondernemers zullen zijn die de eerste donaties richting de spirituele macht zullen doen. Ik denk dat
het de gewone man en vrouw in de straat zal zijn, die, nog niet vertroebeld door de verlokkingen van
de Mammon, beseft hoe belangrijk solidariteit is, en die solidariteit ook daadwerkelijk wil
demonstreren via zo’n privaat fonds.
Die solidariteit, echter, zal niet in de eerste plaats financieel zijn. Problemen die met geld moeten
opgelost worden, zijn geen echte problemen. De solidariteit zal in de eerste plaats moreel zijn, en wel
jegens diegenen die door het systeem juridisch onheus behandeld worden. In België bijvoorbeeld,
één van de meest fascistische staten ter wereld, mag de fiscus nu al, en zonder enige vorm van bewijs,
een proces starten tegen gelijk welke burger die ervan verdacht wordt belastingen te hebben ontdoken.
83
Een vermoeden daartoe is genoeg, en wat meer is: het is de beschuldigde die de proceskosten moet
betalen, én van zichzelf, én van de fiscus, zélfs al heeft die ongelijk.
Het gevolg hiervan is dat mensen overgaan tot zelfbeschuldiging, om zo’n proces snel te kunnen laten
afwikkelen, want indien de fiscus het rekt, en elke zitting moet sowieso toch door de beschuldigde
bekostigd worden, dan zou de kostprijs van een gewonnen proces wel eens stukken duurder kunnen
uitvallen dan de deal die men maakt door simpelweg toe te geven dat men inderdaad belastingen
ontdoken heeft, zelfs al is daar helemaal niets van aan. Het is voor dat soort gevallen, waarin mensen
wel degelijk economische verantwoordelijkheid genomen hebben, maar door het systeem kapot
worden gemaakt, dat het bevrijdingsfonds dient.
Sociaal kapitaal
Eén gewonnen slag is goed voor duizenden nieuwe wakkere mensen, en als er één ding is waar ik kan
over getuigen inzake wakker worden, dan is het wel dat wie wakker is geworden nooit meer wil
slapen, hoe grauw de werkelijkheid ook is waarin hij zich initieel bevindt. De wetenschap dat een
andere werkelijkheid mogelijk is, als we er maar genoeg in geloven, werkt aanstekelijk, en ik voorzie,
indien het geloof oprecht wordt beleefd, een steeds groter aantal mensen die zich bij deze beweging
zullen aansluiten. Initieel voor eigen bescherming, maar na verloop van tijd ook uit ware overtuiging:
die overwinningen zijn op te dragen aan de Heilige Geest.
Op die manier, bij stapjes en beetjes, groeit een netwerk van mensen die steeds soevereiner in het
leven staan, en daardoor ook steeds productiever zullen worden. Op die manier ook, krijg je een
gemeenschap waarin de drie triarchische principes in het dagelijkse doen en laten zullen worden
gecultiveerd. En vroeg of laat creëert dat de voorwaarden die nodig zijn om tot een ware aristocratie
te komen: géén commerciële elite die in collaboratie met de spirituele elite de mensen actief dom
houdt en bedot, maar een organisch gegroeide elite, die beseft dat ze het begin is van de laatste macht
die het leven moet zien om de triarchie volledig tot stand te brengen: de materiële macht.
Denk maar niet dat dit in één generatie zal gebeuren. Wie de triarchie gerealiseerd wil zien, die moet
zijn blik richten op de oneindigheid, en beseffen dat we vierhonderd jaar lang gevestigde culturele
tradities in die zin kapot hebben gemaakt. Het sociale weefsel dat nodig is om te kunnen komen tot
een organische materiële elite is zo kostbaar, dat het zelfs mogelijk is dat de vernieuwing ervan langer
duurt dan de periode die nodig was om ze te vernietigen. Dat moet ons echter niet ontmoedigen:
zolang er maar perspectief en dus betekenis is, kan de mens gelijk welke opdracht aan, hoe groot die
op het eerste zicht ook moge lijken.
84
Laat ons verder ook niet vergeten dat al die tijd nog steeds belastingen betaald worden, maar in het
volle besef dat belastingen absoluut niet nodig zijn om een samenleving te laten werken. Het gevoel
namelijk, dat we allemaal fiscale slaven zijn die solidair zijn met elkaar, is veel meer waard dan al
het geld dat het systeem van ons kan afpersen. En vroeg of laat zal de gemeenschap van gelovigen –
of liever: ongelovigen in het systeem – zo groot zijn dat het systeem zichzelf op geen enkele manier
nog een moreel gezicht zal kunnen aanmeten. En dat is de finale dood van elk systeem: aangezien het
uit niets anders dan ego bestaat, moét het zichzelf als goed kunnen zien.
Propaganda
Dat is dan ook de reden waarom constant propaganda voor “democratie”, “mensenrechten” en
“wereldvrede” moet worden gevoerd: niet in de eerste plaats om de bevolking te bedotten, maar wel
omdat de heersers hun psychopathische gedrag voor hun eigen Zelf moeten kunnen verantwoorden.
Het is een vorm van inflatie: het toeschrijven, aan het eigen ego, van kenmerken die men absoluut
niet bezit. Een bevolking, echter, die niet mee wil gaan in die compensatie, die is een doorn in het
oog. Het systeem, namelijk, is niet in de eerste plaats uit op uw geld. Nee, het is bovenal uit op uw
morele goedkeuring bij het afpersen ervan.
Dat begrijpen is essentieel om in te zien waarom symbolische actie de dood is van elk systeem: het
is precies omdat bij die heersers de verbinding met het oneindige Zelf is verbroken, dat zij in een
diabolische spiraal zijn terecht gekomen: het ego ontleent enkel nog betekenis aan wat anderen
denken, niet aan wat het Zelf als materiaal naar voren brengt. Onze heersers zijn met andere woorden
psychologisch infantiel, wat niet betekent dat ze niet hoogst gevaarlijk zijn. Maar op zijn minst is het
nuttig te weten dat wij geregeerd worden door onze minderen, en dat alle propaganda die dient om
ons te culpabiliseren in wezen diabolische acties zijn ter kleinering van onze ziel.
Wie een ander moet kleineren, echter, die geeft impliciet toe dat ie minder groot is dan degene die
het object is van zijn kleinering. Wie met modder gooit, verliest grond. Alle propaganda die dus vroeg
of laat gericht zal worden tegen de triarchische beweging mag van die beweging afglijden als water
van een eend: het is de vruchteloze poging van een diabolisch systeem om de symboliek en dus de
autoriteit onderuit te halen. Dit kan ons ook sterken in onze overtuiging: terwijl het systeem miljoenen
en miljarden zal besteden om de bevolking in slaap te houden, zal de beweging met een fractie van
dat budget toch de communicatieslag winnen.
Waarom? Omdat de waarheid oneindig is, en de leugen beperkt. Kan aan de bevolking duidelijk
worden gemaakt dat de huidige Trias Politica een illusie is die in stand wordt gehouden door de twee
werkelijke machten achter de schermen – de bancaire en de godsdienstige – dan zal geen enkele
85
propagandastunt, hoe geraffineerd ook, de bevolking nog in slaap krijgen. Men zal weten dat achter
al het mooie discours slechts één doel zit: uitbuiting. En eens het alternatief duidelijk is: een triarchie
van machten waarin zij wel degelijk de macht hebben om onrechtvaardige heersers weg te stemmen,
dan is het hek van de dam. Er is maar één actie meer nodig: die van de Koning.
Martelaarschap
Dit monetaire systeem staat of valt met het innen van belastingen. Die zijn onderpand van de leningen
die de staat bij de centrale bank aangaat, en die leningen zijn op hun beurt weer onderpand voor de
productie van fiduciair geld. Mochten alle schulden terugbetaald zijn, dan zou er simpelweg géén
geld meer zijn. De achillespees van het systeem is dus het geloof dat belastingen rechtmatig en
noodzakelijk zijn. Hierboven is al aangetoond dat dat helemaal niet zo is. Ten eerste zijn ze een
overtreding van het non-agressieprincipe, en ten tweede zijn ze wegens het dalend marginaal nut van
geld zelfs niet noodzakelijk voor de voorziening van publieke goederen.
De dag dat een moedig iemand dus ostentatief weigert om nog belastingen te betalen is de dag waarop
het monster niet meer gevoederd wordt, en dus zal sterven. Maar niet meteen. Geen enkele parasiet
geeft zich zomaar gewonnen, en een kat in het nauw maakt rare sprongen. Mocht één individu alleen
er een publieke zaak van maken dat hij geen belastingen meer betaalt, dan wordt hij binnen de kortste
keren juridisch vervolgd, en aangezien hij in de meeste landen van deze wereld (in alle
Angelsaksische landen) zelfs juridisch dood is, kan zelfs niet uitgesloten worden dat de eigenaars van
dit monetair systeem die persoon simpelweg vermoorden.
Dat gebeurt natuurlijk nooit openlijk. Men wil liever niet dat andere slaven wakker worden. Zo’n
dissidenten, die worden anders aangepakt. Ofwel worden ze gezelfmoord, krijgen ze een autoongeluk, of een toevallige hartstilstand. Wie al te vocaal is over het breken van het systeem, die mag
er zeker van zijn dat het systeem hem zal breken. Dat is onvermijdelijk. Verzet moet de kop worden
ingedrukt, en liefst wanneer het nog klein is. Cruciaal is dat niemand überhaupt zelfs nog maar
doorheeft dat er eigenlijk een moordende dictatuur aan de macht is. De grootste vijand van dit systeem
is de hoop dat het effectief gebroken kan worden.
Nu zou u heldhaftig kunnen zijn, en ervoor kiezen om martelaar te worden voor het geloof in een
andere wereld. Zo zijn er al verschillende mensen geweest. Ze hebben zichzelf in brand gestoken,
precies omwille van die reden, maar de macht van de media is zo groot dat zelfs dat offer anders werd
geduid, als een wanhoopsdaad bijvoorbeeld, die natuurlijk kwam van “een verwarde man”. De grote
vraag, voor wie martelaar wil worden, is dus hoe het lijden dat men vrijwillig op zich wil nemen,
86
maximale betekenis kan hebben voor de goegemeente. Sterven moeten we allemaal, dus dat is het
punt niet. Betekenisloos sterven, en een rang lager gaan, dat is pas iets om bang van te zijn.
Het kruis
De beste traditie om het eigen martelaarschap aan op te hangen is volgens mij die die Christus zelf
installeerde. Zijn offer, dat hij gemakkelijk had kunnen ontwijken, bracht hij ondanks de weinige
betekenis die men er op dat moment aan hechte, toch. Ook in 1916 gaf vrijwel niemand een iota om
wat er in het Post Office in Dublin was gebeurd. Het is pas later, nadat de betovering van de psychose
waarin men zat verbroken is, dat men doorheeft wat zo’n offer heeft betekend. Ierland dankt zijn
onafhankelijkheid aan het offer van Patrick Pearse en James Conolly. En wij allen danken ons groter
inzicht in de ware aard van de realiteit aan Christus zelf.
Indien er binnen de toekomstige aristocratie dus mensen zijn die bereid zijn om op te komen voor de
bevrijding van allen, dan lijkt het mij nog maar logisch dat zij het sterkste symbool ter wereld voeren:
het christelijke kruis. Dat is zelfs in zijn ontwerp transcendent, want de horizontale balk kruist de
verticale niet in het midden, maar boven het midden. Voor mij staat het kruis dan ook symbool voor
de kracht van de mens die, indien hij maar gelooft, elk lijden kan overstijgen. Wie zijn wij, miezerige
slaven, als we ons eigen lijden zouden durven vergelijken met de heldhaftigheid van één man?
Christus, als mens, was alleen, moederziel alleen, en ging toch door tot het einde.
Dat moet dan ook de inspiratie zijn van de Koning die komt. Ik geloof niet dat dat Christus zelf zal
zijn, zoals door vele protestantse groepen wordt beweerd, en wel omdat Hij nooit is weggeweest: net
door zijn offer is hij gesublimeerd is geraakt in onze geesten. Hij is met andere woorden een archetype
geworden waarop wij ons allemaal richten. Door het opgeven van zijn fysieke lichaam is, in
combinatie met het geloof in zijn Blijde Boodschap, een nieuw lichaam ontstaan: het mystieke
lichaam van de gemeenschap van gelovigen. De Kerk, met andere woorden, is Christus zelf, en de
eucharistie is de manier om via Hem met God in contact te komen.
Enkel een man die Christus als zijn eigen Koning neemt, kan dus volgens mij Koning in wereldse zin
worden. Zo liefdevol als Jezus zelf zal zo’n persoon maar moeilijk kunnen zijn, en wil de christelijke
visie in de feiten overleven dan zal ook het toekeren van de andere wang mogelijks anders
geïnterpreteerd moeten worden. Er zijn vele sektes die maar wat graag die liefhebbende Christenen
de keel zouden oversnijden. Maar wie de bron van oorlogen en godsdienstige onvrede ernstig
onderzoekt, die zal vroeg of laat altijd vinden dat het spoor leidt naar centrale bankiers, en hun
onverzadigbare lust om munt te slaan uit het leed en de verdeeldheid onder mensen.
87
Sym-bolein
De actie die de Koning dus moet ondernemen zal vooral een actie zijn die geweld tegen hém zal
uitlokken, maar indien het lijden dat daardoor ontstaat opgehangen wordt aan de christelijke traditie
dan is het zelfs mogelijk dat de Koning helemaal niet hoeft te sterven: door zo openlijk tegen het
systeem te zijn, en dit bovendien te doen vanuit een metafysische visie die de dingen zo helder stelt,
wordt het systeem geconfronteerd met het probleem dat het vermoorden, of zelfs nog maar het
toebrengen van lijden aan zo’n persoon, het einde van het systeem zelf zou betekenen: door geweld
te gebruiken wordt de impliciete dictatuur expliciet, en kan ze zich niet meer verbergen.
Dat is de kracht van symbolische actie: het diabolische verbergt zich altijd achter één of ander masker,
en zit er absoluut niet mee in als die persona wordt aangevallen. Dat is toch zijn ware aard niet. Het
Kwade komt overeen met de schaduw. Maar archetypische actie, die zoveel betekenis genereert dat
de in slaap gedommelde bevolking uit zijn psychose schiet, dat is iets waar die schaduw helemaal
niet mee om kan. Wie denkt te moeten vechten met het systeem, die bevecht ego vanuit ego. De kunst
is om groter te zijn dan ego, om het met Zelf te benaderen, en aangezien dat onmogelijk is vanwege
diens oneindige aard, met “the next best thing”: archetypes.
De Koning is met andere woorden niet zomaar een persoon: hij is een archetype, een symbool dat
dingen losmaakt in wat bij betoverde mensen onder de bewustzijnsgrens ligt, waardoor ze hun ware
aard terugvinden, en hun geïnstalleerde Alter ego verwerpen als zijnde diabolisch. Kan de spirituele
macht hen die theorie aanleren, en kan de commerciële macht de spirituele macht helpen om die
boodschap te verspreiden, dan is het slechts een kwestie van tijd voor er effectief een persoon opstaat
die, bij volle bewustzijn, ervoor kiest om te doen wat moet gedaan worden: het stoppen van elke
bijdrage aan dit diabolische systeem.
Christus deed het anders. Hij riep niet eens op tot een belastingrevolte, maar liet zijn vrijwillig en
symbolisch offer samenvallen met het onvrijwillig en letterlijk offer dat de Judeanen elk jaar moesten
brengen. Het is door zijn lijden onder het systeem te verbinden aan hun offeren onder hetzelfde
systeem dat de Judeanen plots beseften hoe diabolisch dit wel niet was. Hij was dus niet de man die
zou komen en een werelds Koninkrijk stichten, maar de man die hen het Koninkrijk Gods heeft laten
ervaren: hun eigen binnenwereld, die tot dan toe door een zware psychose van henzelf was afgesloten,
maar, geraakt door een diepmenselijke identificatie, zich weer opende.
88
Conclusie
De krachttoer die Christus uithaalde kunnen wij niet verwachten van de Koning die komt. Ik geloof
dat van het kaliber van Christus maar eens in de duizenden jaren incarneert. Dat neemt niet weg dat
die persoon, geheel in het besef van wat Christus voor de mensheid heeft gedaan, wel degelijk een
bijzonder geïnspireerd man kan zijn. Elke revolte heeft een leider, en indien die leider een hele
gemeenschap achter zich heeft voor wie zijn potentiële lijden van grote betekenis zal zijn, dan valt
niet uit te sluiten dat het effect dat Christus bereikte opnieuw bereikt kan worden: dat mensen wakker
worden uit hun diepe winterslaap, en zich vervoegen bij het leger van de levenden.
Het bevrijdingsfonds waarover eerder sprake, kan bijvoorbeeld aangewend worden om alle
belastingen die tot nog toe aan de slavenplantage werden doorgestort, bij de gemeenschap te houden,
en van daaruit de rechtsplegingsvergoeding te betalen voor alle ondernemers die er lid van zijn. De
staat, op die manier droog gezet, zal zijn vervolging opvoeren, maar als we de efficiëntie van het
staatsgerecht als norm moeten nemen, dan lijkt het weinig waarschijnlijk dat de staat gelijk zal kunnen
halen voor die zelf failliet is. Het hoeft zelfs nog niet eens zo lang te duren: eens het voor de financiële
markten duidelijk is dat er een belastingrevolte is, dan stijgt de rente torenhoog.
Dat is dan ook het breekijzer waarmee elke staat op de knieën kan worden gedwongen: als het
onderpand van staatsleningen inderdaad belastingen zijn, en die komen niet meer, dan wordt ook die
vorm van financiering afgesloten. De slavenplantage zal met andere woorden geen middelen meer
over hebben om de slaven in bedwang te houden. Ook het fiatgeld dat op basis van die staatsleningen
wordt gedrukt, wordt waardeloos. De staat zal crashen, en ook alle voorzieningen die de staat levert.
Omdat die vandaag exuberant groot zijn, zal dit moment op de bevolking overkomen als een chaos.
Maar niet voor wie al lid is van de Kerk: die zijn voorbereid.
De enige zwakte aan dit hele plan is het feit dat velen de Koning zouden verraden voor een zak
zilverlingen. Het is ook met Christus zo gegaan. In een samenleving waar de meesten afhankelijk zijn
van de staat is de kans zelfs zeer groot dat van zeer vroeg af aan verraders zich in de beweging komen
nestelen om die op het gepaste moment te kunnen ontwortelen. Maar zélfs al mislukt zo’n poging om
ons te bevrijden, dan nog denk ik met dit schrijven te hebben aangegeven welke principes moeten
gehonoreerd worden om het nog eens te proberen. Want hoe lang het ook moge duren, de triarchie
komt er. Ik heb ze gezien. Ze werkt. Ze is echt. Ze is hier.
89
Epiloog
Sta me toe af te sluiten met een gedicht van Toon Tellegen:
Een man dacht dat hij vrij was
en een engel sloeg hem neer,
de man zei dat hij vrij was
en weer sloeg de engel hem neer,
maar de man zei opnieuw dat hij vrij was
en opnieuw sloeg de engel hem neer,
toen schreeuwde de man dat hij vrij was,
dat hij altijd vrij was, dat hij nooit iets anders dan vrij zou zijn
en de engel sloeg hem tot bloedens toe neer
en schaamte en vergeefse moeite woeien op
en verspreiden zich als stof over de grijze aarde
en de man stamelde dat hij vrij was,
dat hij dacht dat hij vrij was
en de engel vloog weg.
Laat ons, bij het realiseren van dit ideaal,
dezelfde onvermurwbaarheid aan de dag leggen.
Ik dank u.
90
Envoi
In mijn visie utopisch? Ik denk het niet. De essentie van utopie is het nemen van de perfecte
samenleving als uitgangspunt, en ik doe precies het tegenovergestelde: ooit was alles perfect, maar
die toestand is nu verloren gegaan, en het ultieme doel van het politiek systeem dat ik voorstel is
precies om die eenheid weer te herstellen. Dat zal niet zonder horten en stoten gaan, en de bewuste
mensheid is in termen van de kosmische evolutie nog zéér zéér jong. Maar ik denk wel dat we nu al,
door de vergevorderde evolutie van ons brein, in staat zijn om vanuit de juiste hypothese ook de juiste
hypostase te formuleren: eenwording met en van God is het finale doel.
De theologie die ik hier heb voorgesteld is vrij extravagant. Het vagevuur, in mijn denken, komt niet
na de dood, maar beleven we hier en nu, omdat onze geboorte in dit leven gelijk staat met een vorige
dood. De hemel, in mijn denken, is gelijk aan totale eenheid, en dus God zelf. En de hel, in mijn
denken, is onnodig lijden vanuit niet-weten. De duivel, dat is het bewustzijn dat huist in het complex
aan stellingen dat benodigd is om de Illusie van het Existerende Niets hoog te houden, en de Heilige
Drievuldigheid, dat zijn de drie paradoxen die ons menselijk bestaan beheersen. Niets van dit alles is
vandaag algemeen aanvaard. Maar ik geloof dat dat wel ooit zo zal zijn.
Mijn pleidooi, in dit manifest, is er dus niet simpelweg één voor een nieuw politiek systeem, maar
voor een geheel nieuwe metafysica. Door te geloven in oneindigheid van de realiteit, maken wij
krachten los uit andere realiteiten ons brengen wat wij in deze realiteit nodig hebben om dichter bij
ons Zelf te kunnen komen. De enige zonde die wij als mens kunnen begaan is tijd te verliezen onnodig
te lijden, dat altijd het gevolg is van contradictie. Zelfs een moordenaar moet zodoende met liefde
bejegend worden, want ook hij pleegde slechts agressie vanuit de historische onwetendheid over hoe
de zaken kosmisch fout gelopen zijn.
Het is in het herzien van onze status als mens – niet als drager van de erfzonde, maar als drager van
het potentieel voor de oplossing van die erfzonde – dat volgens mij de voorwaarden besloten liggen
voor een nieuwe realiteit, die niet langer gebaseerd is op angst en schuld, maar op de liefde voor God.
Er is niet één moment waarop Hij ons schiep naar zijn beeld, maar het verscheiden vallen van eenheid
in veelheid bracht wel met zich mee dat tussen deel en geheel een organische evolutie kon
plaatsvinden die leidde tot een wezen, de mens, die zichzelf kon herkennen in God: hoeveel
stommiteiten begaan we zelf niet?
91
Tot slot wil ik nog een geografische opmerking maken. Als er één plaats is in de wereld waar de
triarchie een kans heeft om door te breken, dan is het wel in de Lage Landen. In het jaar 1581, op de
26ste juli om precies te zijn, verklaarden de Staten-Generaal van de Nederlanden Filips II, de Spaanse
monarch, vervallen van de macht. Dat is niets anders dan een triarchie in werking. Het aanduiden van
de nieuwe monarch, echter, gebeurde door dezelfde macht die de vroegere Koning had verworpen,
en daar is waar het fout gelopen is: vanaf toen werd een belangrijk stuk van de Nederlanden een
republiek, in tegenspraak met de goddelijke orde.
De gevolgen waren merkbaar: Nederland werd een land van bankiers, alwaar de commerciële macht,
in collusie met de spirituele macht, de bevolking naar zijn poppen liet dansen. Ook vandaag nog is de
materiële macht een façade, want echte gerechtigheid bestaat ook daar niet. Als er dus één reden is
waarom ik denk dat de Renaissance uit Vlaanderen zal komen, en meer bepaald zelfs uit het vroegere
Graafschap, dan is het omdat in onze contreien de goddelijke orde, zij het onder vreemd bestuur, veel
langer in tact is gebleven. Wij hebben ook een valse monarchie op de troon gezet door centrale
bankiers, maar wat wij wel hebben, en onze noorderburen niet, is mystiek.
En het is dat, het mystieke gevoel, dat de brandstof is voor het wortel schieten van de eerste macht
die nodig is om een triarchie te bewerkstelligen. Het is die macht die de tweede macht inspireert, en
het is de samenwerking van die twee machten samen die de voorwaarden creëren voor de komst van
de Koning. Ik weet niet of ik die tijdens mijn leven nog zal zien – wellicht niet – maar niemand kan
ontkennen dat een diepgaande verandering in het bewustzijn bezig is. Ik hoop met dit schrijven een
bijdrage te hebben geleverd aan het formaliseren van de filosofie die nodig is om dat bewustzijn ook
in de politieke structuren vorm te geven. In Vlaanderen. Maar ook in Nederland.
Ik roep alle intellectuelen der Lage Landen dan ook op om samen met mij na te denken over hoe ons
taalgebied, verdeeld over twee verschillende slavenplantages, terug één kan worden, zodat we van
hieruit, na succesvolle toepassing in eigen contreien, het triarchische model kunnen exporteren naar
de hele wereld. Want men mag mij uitlachen waar ik bij sta: ik geloof rotsvast dat aan deze monetaire
slavernij vroeg of laat een einde komt, en dat dit einde zal beginnen in onze contreien. We verdreven
tirannen al eerder, maar we hadden toen nog geen echt alternatief. Dit keer staat me tenminste helder
voor ogen wat de volgende keer leuze moet zijn: voor Kerk, Koning en Kapitaal.
Brecht Arnaert,
25 augustus 2017
