Beste abonnee,
Als u naar een bank gaat om geld te lenen, dan zal die steeds om een zekerheid vragen – een garantie die zij kunnen inwinnen in het geval dat u de lening niet kan terugbetalen. Dat kan het huis zijn dat u met de lening aankoopt, een portefeuille aandelen, of eender welk actief dat liquide genoeg is om als onderpand te dienen. U hypothekeert middelen, om meer middelen te verkrijgen. Zo is het altijd geweest. Of niet?
Ik denk van niet. Wie het proces dat we “bankieren” noemen goed bestudeert, zal merken dat het in wezen een magisch proces is: het geld dat u bij een bank ontleent, bestaat niet tot u ook effectief uw handtekening onder het leencontract plaatst. Het verhaaltje van de goldbugs, dat inflatie zou zijn ontstaan toen ‘stoute’ goudsmeden te veel papiertjes uitschreven voor de edelmetalen die ze in beheer hadden, is dus larie en apekool. Het zal zeker gebeurd zijn, maar het mist het hele punt rond de magie van bankieren: dat je er nul komma nul materie voor nodig hebt.
Het krediet van een bank, namelijk, bestaat volledig uit de reputatie die de bank heeft, en is samen te vatten in één zin: “Kan de bank aan haar betalingsverplichtingen voldoen?” Als het antwoord ja is, dan blijft het krediet intact en zal de bank steeds meer kandidaat-ontleners (mensen die op zoek zijn naar één of andere vorm van liquiditeit) aantrekken. Een bank trekt ook spaarders aan, dat klopt, maar die functie is secundair: je gaat je spaargeld niet onderbrengen bij een bank die geen of weinig rente kan betalen (en dat komt precies van die ontleners).
De spaarders zijn niet noodzakelijk: een bank kan perfect bank zijn, zonder dat er ook maar één spaarder aan te pas komt. Het enige wat die instelling moet doen, is zorgen dat ze zelf over genoeg kapitaal beschikt om verliezen op te vangen wanneer een lening faalt. Want als dat gebeurt, dan is het inwinnen van het onderpand dikwijls niet genoeg om het verlies te dekken. Dat is dan ook de reden waarom banken zowel een eigen inleg vragen van de ontlener als ook zelf een reserve aanhouden. Het onderpand dekt dus het grootste risico af, maar het zijn finaal de reserves van de bank die het verlies helemaal afdekken.
Maar wat als we het concept “onderpand” nu eens helemaal zouden omdraaien, en het niet meer zouden zien als onderdeel van de triade quotiteit-onderpand-bankreserve? Wat indien we van de eerste keer het onderpand veel strenger zouden gaan afwaarderen dan nu het geval is? Je wil bijvoorbeeld een huis kopen van 500.000 EUR, en de bank geeft je maar 250.000 EUR? Hoeveel kapitaalreserve zou de bank dan nog moeten aanhouden? Géén, me dunkt, want mocht de lening falen, dan is de bank zeker dat de verkoop van het huis de falende lening afdekt. Het risico ligt volledig bij de ontlener.
Dat is het basale idee achter het kredietprotocol dat een jonge Deen in 2015 in de markt heeft gezet. Wat zo begon als een ludiek experiment, is in mijn ogen simpelweg het einde van bankieren as such. Want als het risico volledig bij de ontlener ligt, en er dus geen wisselreserves meer nodig zijn, dan is meteen het hele concept “bank” zinledig. Dan is er geen fonds meer nodig dat mogelijke verliezen aanvult. En programmeer je de zaak zo dat het onderpand automatisch wordt verkocht als het te veel zakt in waarde, dan heb je zelfs geen “collateral management” nodig.
Met andere woorden: het bankroet van de banken zal dus niet komen door bank runs. Al is er nog zoveel schuld: met moderne manipulatietechnieken kan men de massa dom genoeg houden. Banken zullen simpelweg irrelevant worden: maak van je onderpand ‘bovenpand’, doe dat op de blockchain, en hun vijf klassieke bezigheden (underwriting, compliance, clearing, treasury, en collateral) hebben geen voorwerp meer. Wat schiet er dan nog over van “bankieren”? Niets. Zeg dat ik het u gezegd heb. Afspraak in 2036.
Dr. Brecht Arnaert
